Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 79.481 - 18-04-2012

Samenvatting

In de bestreden beslissing wordt expliciet verwezen naar het persoonlijk gedrag van de verzoekende partij. Er wordt uiteengezet tot welke veroordeling dit gedrag reeds aanleiding gaf. De verwerende partij is dus in concreto wel ingegaan op het ernstig, actueel gevaar dat de verzoeker zou betekenen voor de samenleving. Het is niet kennelijk onredelijk de gepleegde feiten als ernstig te beschouwen. De Nederlandse overheid vond de feiten voldoende zwaarwichtig om de verzoekster, conform de Nederlandse wetgeving, “tot ongewenst vreemdeling (te verklaren)” en haar te seinen via het Schengen-Informatiesysteem. Aan poging tot moord kan men niet zomaar voorbijgaan daar dit een gevaarlijke ingesteldheid aantoont. Dit is zo ongeacht het ogenblik waarop de verzoekster de feiten pleegde, de jonge leeftijd die de verzoekende partij toen had of de modaliteiten van strafuitvoering die haar zouden zijn toegekend. Het is niet kennelijk onredelijk om op basis van de aard of ernst van de gepleegde feiten, het SIS-signalement voor onbepaalde duur en de ongewenstverklaring in Nederland te besluiten dat de verzoekende partij een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De bestreden beslissing motiveert uitdrukkelijk waarom het persoonlijk belang van verzoeker niet kan primeren op het algemeen belang: “Uit de ernst van de feiten blijkt dat betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde. Gelet op de aard van de feiten dient tevens gesteld dat private belang niet primeert boven het algemeen belang”. De gemachtigde van de staatssecretaris deed dus wel degelijk een belangenafweging. Dat er geen sprake is van herhaling van dergelijke feiten, dat dit een eenmalige veroordeling betreft en dat de verzoekster intussen al meerdere jaren samenwoont en een relatie heeft met een Nederlandse onderdaan die in België werkt, doet hieraan geen afbreuk. De bestreden beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden met bevel om het grondgebied te verlaten werd reeds genomen op 27 oktober 2011. De verzoekende partij werd door de stad Antwerpen slechts op 3 november 2011 in het bezit gesteld van een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie. Het argument ‘eerst in het bezit te zijn gesteld van een F-kaart om daarna haar verblijf alsnog geweigerd te zien’, mist aldus feitelijke grondslag.