Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 82.213 - 31-05-2012

Samenvatting

De bevoegdheid van een administratief orgaan moet rechtstreeks of onrechtstreeks volgens uit de Grondwet of de wet. Een administratief orgaan is onbevoegd wanneer het handelt maar de Grondwet of de wet haar hiervoor niet rechtstreeks of onrechtstreeks machtigt. Het is ook onbevoegd als het een gebied betreedt dat aan zijn bemoeiing niet is overgelaten. Een administratieve rechtshandeling is pas wettig wanneer zij van het wettelijk aangewezen orgaan uitgaat. De bevoegdheid die wettelijk aan een overheid is verleend, is geen recht waarover zij kan beschikken maar is een opdracht die haar werd opgelegd en die zij moet vervullen. Zij kan deze bevoegdheid enkel delegeren indien dit haar uitdrukkelijk wordt toegestaan. Die delegatie moet dan nauwkeurig omschreven zijn en moet ondubbelzinnig blijken uit de regeling waarbij de delegatie gebeurt. Delegatie van bevoegdheid is dus in de eerste plaats slechts wettig als zodanige delegatie is toegestaan door de regelgever die de betrokken bevoegdheid aan de bedoelde overheid heeft opgedragen. De bevoegdheid van een orgaan raakt aan de openbare orde. Zo nodig moet de Raad deze kwestie ambtshalve opwerpen en bekijken. Op basis van artikel 1, 2° Vreemdelingenwet is de “Minister” c.q. staatssecretaris bevoegd om beslissingen te nemen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Uit de samenlezing van artikel 104, derde lid Grondwet en de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 maart 1972 betreffende de Staatssecretarissen volgt dat een staatssecretaris dezelfde bevoegdheden heeft als een minister onder voorbehoud van bepaalde welomschreven uitzonderingen. Deze uitzonderingen zijn niet hier niet van toepassing. Als een familielid van een unieburger, dat zelf geen unieburger is, een visum gezinshereniging aanvraagt, voorziet noch de Vreemdelingenwet, noch een ander wettelijk instrument in een delegatie van bevoegdheid van de Minister c.q. staatssecretaris naar zijn gemachtigde, de ambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken, om over deze aanvraag te beslissen. Noch artikel 6 van het ministerieel besluit van 18 maart 2009 houdende delegatie van bepaalde bevoegdheden van de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en tot opheffing van het ministerieel besluit van 17 mei 1995 houdende delegatie van bevoegdheid van de Minister inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: het Delegatiebesluit) noch enige andere bepaling van het Delegatiebesluit verwijst naar een bepaling van de Vreemdelingenwet of van het Vreemdelingenbesluit op grond waarvan een attaché van de Dienst Vreemdelingenzaken bevoegd zou zijn om de bestreden beslissing te treffen als gedelegeerde van de Minister c.q. staatssecretaris. De vraag of een wettelijk toegekende bevoegdheid mag gedelegeerd worden via een koninklijk besluit wordt in het midden gelaten.