Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 90.572 - 26-10-2012

Samenvatting

Verzoeker schreef een boekje “Oog op de democratie”. Verzoeker legt, gezien zijn verklaringen op het CGVS en ter terechtzitting, hierover plausibele verklaringen af. Het is plausibel dat zijn gedachtegoed door zijn levensloop geëvolueerd is. Het is immers onbetwist dat verzoeker lid was van de Communistische partij voor zijn vertrek naar Nederland. Verzoeker toont ter terechtzitting ook een foto van hemzelf met de leden van de Communistische partij. Het is aannemelijk dat verzoeker zijn activiteiten voor de Communistische partij staakte in 2006 gelet op het klimaat van geweld in Irak in die periode (zie ook landeninformatie, SRB “De actuele veiligheidssituatie in Centraal-lrak-Bagdad”, p.8-9). Verzoeker toont ingevolge zijn verklaringen ter terechtzitting genoegzaam aan dat hij na zijn terugkeer uit Nederland in Bagdad verkeerde in het milieu van de seculiere schrijvers en politici. Uit de vertaling van het boekje blijkt dat verzoeker seculiere overtuigingen heeft en zich zeer kritisch opstelt ten aanzien van de Iraakse politici en politieke partijen. Het is aannemelijk dat hij dit boekje verspreidde en door deze verspreiding in de negatieve aandacht kwam van religieuze groeperingen. Twijfels over bepaalde aspecten van een relaas, nl. de bomaanslag op zijn wagen, ontslaan de bevoegde overheid niet van de opdracht de vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade betreffende die elementen waar geen twijfel over bestaat, te toetsen. Het moet gaan om die elementen die een toekenning van bescherming kunnen rechtvaardigen. Verzoeker maakt in casu aannemelijk dat hij omwille van zijn seculiere instelling en politieke overtuiging vervolging vreest. Het voorafgaande in acht genomen, kan worden aangenomen dat verzoeker een gegronde vrees voor vervolging heeft omwille van zijn politieke overtuiging in de zin van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet.