Samenvatting
In elk geval, zelfs bij cassatie van het bestreden arrest, zal de rechter zich er niet met het adagium fraus omnia corrumpit kunnen van af maken. Het adagium zal maar kunnen worden tegengeworpen aan de schuldige of zijn medeplichtige. In dit geval kan dit dus enkel tegen de echtgenoot van de verzoekster. Daaruit volgt dat zijzelf wel degelijk een belang heeft bij het cassatieberoep. Uit het dossier blijk dat de verzoekster een verblijfsrecht erkend kreeg in augustus 2005 als samenwonende partner van een unieburger. De administratieve rechter kon dus, zonder kwalificatiefout te maken, stellen dat artikel 42septies Vw. iuncto artikel 47, eerste lid, 3° van de wet van 25 april 2007 de basis kon vormen voor de intrekking van het verblijfsrecht dat haar werd erkend op basis van fraude, die ook niet wordt tegengesproken. In haar inleidend verzoekschrift stelde de verzoekster dat de beslissing tot intrekking de materiële motiveringsplicht schond en het principe van intrekken van administratieve aktes. Zij riep geen miskenning van artikel 11, § 2, 4° Vw. in. Zij hield eerder voor zelf geen enkele fraude gepleegd te hebben en dat het adagium fraus omnia corrumpit niet van toepassing was op haar. De administratieve rechter moest dus ook niet formeel motiveren met betrekking tot artikel 11, § 2, 4° Vw. De fraude die toeliet dat er aan de verzoekster een verblijfsrecht werd erkend en ook het ontdekken van deze fraude vonden plaats vóór de inwerkingtreding op 1/6/2008 van de artikelen 47, tweede lid, 3° van de wet van 25 april 2007 en artikel 42septies Vw. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die deze bepalingen toepaste in het bestreden arrest kende dus een terugwerkende kracht toe aan die bepalingen. Al is dit in overeenstemming met wil van de wetgever, toch vraagt de verzoekster om op dit punt het Grondwettelijk Hof te ondervragen. De geprivilegieerde vreemdeling, het familielid van de burger van de unie geniet immers bij een intrekking van het verblijfsrecht van een minder gunstige regeling dan diegene die van toepassing is op een vreemdeling volgens gemeen recht. De volgende prejudiciële vraag wordt voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof: Schendt artikel 47, tweede lid, 3° van de wet van 25 april 2007 in samenhang met artikel 42septies Vw. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover het toelaat aan de minister of zijn gemachtigde om een verblijfsrecht van een familielid van een (voorgehouden) burger van de Unie te beëindigen ingevolge een fraude die door de overheid werd vastgesteld vóór de inwerkingtreding op 1 juni 2008 van deze twee bepalingen, terwijl zulk retroactief gevolg niet bestaat voor een vreemdeling die geen burger is van de Unie of voor zijn familieleden. Artikel 11 Vw. laat voor hen immers alleen intrekking van verblijfsrecht toe wegens fraude gepleegd na de inwerkingtreding van die bepaling op 1 juni 2007.