Samenvatting
De RvV beschikt op grond van artikel 39/2, § 1 Vw. over volheid van rechtsmacht bij de beoordeling van beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Dit geldt zowel inzake de vluchtelingenstatus als de subsidiaire beschermingsstatus. Het was de duidelijke en uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever dat de RvV de asielaanvraag in haar geheel kan onderzoeken en ook de subsidiaire beschermingsstatus kan weigeren, al werd enkel beroep tegen de weigering van de erkenning als vluchteling aangetekend. De RvV moet de asielaanvraag in haar geheel onderzoeken. Hij moet daarbij het recht van verdediging eerbiedigen. Dit houdt in dat hij zich moet beperken tot de gegevens van het administratief en het rechtsplegingsdossier. Als hij andere vragen wil opwerpen dan degene die tot dan toe aan de orde zijn gekomen, moet hij de partijen toelaten daarover standpunt in te nemen. De RvV heeft zich hier op geen andere elementen gesteund dan deze die al in de aanvankelijk bestreden beslissing worden vermeld en waarnaar de verzoekster zelf in het verzoekschrift tot beroep heeft verwezen. In die omstandigheden was de RvV niet verplicht de motieven op grond waarvan hij uiteindelijk tot weigering van de subsidiaire beschermingsstatus besluit, vooraf ter kennis van de verzoekster te brengen. De rechten van verdediging zijn niet geschonden. Het beroep van de verzoekster moest niet verworpen worden als onontvankelijk omdat het slechts tegen de weigering van de erkenning als vluchteling was gericht. Krachtens de hoger uiteengezette devolutieve werking van het beroep wordt de zaak in haar geheel aanhangig gemaakt.