Raad van State - 222.017 - 11-01-2013

Samenvatting

De verzoekers stellen alleen dat de motivering van het bestreden arrest gebrekkig is wat betreft de vraag of de informatie uit het administratief dossier prevaleert op de door de verzoekers zelf bijgebrachte stukken. De artikelen 48/3 en 48/4 Vw. hebben echter geen betrekking op de motivering van de arresten van de RvV en de verzoekers zetten niet uiteen op welke andere manier die bepalingen zouden zijn geschonden. Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk. De RvV wees de asielaanvraag af op grond van de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas. Er is ook gesteld dat een ongeloofwaardig relaas niet als basis kan dienen voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus in de zin van artikel 48/4 Vw. In het bestreden arrest worden de door de verzoekers bijgebrachte stukken individueel vermeld met aansluitend de opmerking dat een verwijzing naar algemene rapporten en/of de algemene situatie in het land van herkomst niet volstaat om aan te tonen dat wat hen betreft een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 Vw. bestaat. Daarmee wordt duidelijk aangegeven waarom de RvV geen groter belang aan de door de verzoekster bijgebrachte informatie hecht. Daarnaast wordt in het bestreden arrest gesteld dat uit de informatie toegevoegd aan het administratief dossier blijkt dat in het betreffende land geen binnenlands of internationaal gewapend conflict aan de gang is en dat deze informatie prevaleert op de inhoud van de door de verzoekers bijgebrachte voormelde stukken. De verzoekers hebben zich zelf beperkt tot het aanhalen van andersluidende rapporten in verband met de situatie in het land. Zij gingen daarbij niet nader in op de objectiviteit of de betrouwbaarheid van de informatie uit het administratief dossier. Daarom kon de RvV volstaan met aan te geven welke informatie zijn voorkeur genoot en wat die informatie inhield.