Samenvatting
Artikel 66, eerste lid RvS-wet bepaalt dat de partijen die niet onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken voor hun akten en verklaringen de taal mogen gebruiken die zij verkiezen. Het derde lid van dat artikel stelt in afwijking van het eerste lid dat asielzoeker op straffe van niet-ontvankelijkheid het verzoekschrift en de overige procedurestukken moet indienen in de taal die is bepaald bij het indienen van de asielaanvraag overeenkomstig artikel 51/4 Vw. Met een brief van 5 oktober 2012 is het verslag van de auditeur ter kennis van de verzoekers gebracht. Daarin is aan de verzoekers meegedeeld dat zij 30 dagen de tijd hebben om te vragen dat de procedure wordt voortgezet om te worden gehoord en is de bijzondere aandacht van de verzoekers gevestigd op artikel 18, § 1, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State. De raadsman van de verzoekers heeft hierop geantwoord met een ter post aangetekende brief van 9 oktober 2012 in het Frans, hoewel de taal die bepaald is bij het indienen van de asielaanvraag het Nederlands is. Wanneer ter terechtzitting hierop wordt gewezen, heeft de raadsman van de verzoekers geen opmerkingen. Vermits het verzoek tot voortzetting met toepassing van artikel 66, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet-ontvankelijk is, moet de afstand van geding worden toegewezen.