Samenvatting
De verzoekster voert de schending aan van artikel 4, §§ 1 en 2, en artikel 5 van de wet van 30 april 1999. In essentie betoogt zij dat er geen tewerkstelling was voorafgaand aan het verkrijgen van de arbeidsvergunning.
De wet van 30 april 1999 is van toepassing op de buitenlandse werknemers en op de werkgevers. Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld met buitenlandse werknemers, de buitenlandse onderdanen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon (artikel 3, eerste en tweede lid, 1°, van de wet van 30 april 1999).
Uit deze bepaling volgt dat de wet van 30 april 1999 een ruim toepassingsgebied heeft. Vallen niet alleen onder het toepassingsgebied, de buitenlandse onderdanen die krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid leveren, maar alle buitenlandse onderdanen die onder het gezag van een andere persoon arbeid verrichten, ongeacht of er al dan niet een arbeidsovereenkomst bestaat (cfr. de memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, Parl. St. Kamer, 1998-1999, nr. 2072/1, p. 3). Het verrichten van arbeid op grond van een loutere gezagsverhouding volstaat aldus, zonder dat hierbij een band van ondergeschiktheid is aangetoond, of dat de verrichte arbeid een bezoldigd karakter heeft.
Naar luid van artikel 4, § 1, eerste lid, van de wet van 30 april 1999 moet een werkgever die een buitenlandse werknemer wenst tewerk te stellen, vooraf een arbeidsvergunning hebben verkregen van de bevoegde overheid. Een arbeidsvergunning, stelt artikel 4, § 2, eerste lid, wordt niet toegekend wanneer de buitenlandse onderdaan België is binnengekomen om er te worden tewerkgesteld vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft verkregen. Artikel 5, eerste lid, van dezelfde wet bepaalt voorts dat, om arbeid te verrichten, de buitenlandse werknemer vooraf een arbeidskaart moet hebben verkregen van de bevoegde overheid.
In het licht van het hiervoor geschetste ruime toepassingsgebied van de regelgeving, volstaat het dat, opdat er sprake is van tewerkstelling van een buitenlandse werknemer vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft verkregen, een gezagsverhouding bij het verrichten van arbeid bestaat.
Of er een gezagsverhouding aanwezig is, moet uit de concrete tewerkstellingsomstandigheden worden afgeleid. Bij de beoordeling hiervan heeft de Raad van State slechts een marginale toetsingsbevoegdheid. Hij mag zijn oordeel niet in de plaats stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om na te gaan of de Koning bij het bepalen van zijn standpunt, hierbij uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of hij die correct heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan in redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen.
Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij zich voor haar oordeel steunt op gegevens die de raadsman van de verzoekster aan haar heeft meegedeeld om te stellen dat Y reeds meerdere jaren is tewerkgesteld zonder over een arbeidskaart te beschikken, met name dat “de werkgever (X) reeds jaren ziek is en de werknemer (Y) haar ondertussen al 5 jaar helpt met het huishouden en de opvoeding van de kinderen”.
De verzoekster betwist dat uit het inwonen van de buitenlandse werknemer bij haar gezin en het reeds jaren helpen in de huishouding en met de opvoeding van de kinderen daar zij ernstig ziek is, kan worden afgeleid dat er sprake is van tewerkstelling. Haar kritiek dat de verleende hulp kosteloos was,
geheel familiair en vriendschappelijk, zonder enige verplichting, vergoeding of band van ondergeschiktheid, alsook dat Y “simpelweg deel uit(maakte) van het gezin”, volstaat niet om te oordelen dat er in redelijkheid geen sprake kan zijn van een gezagsverhouding tussen de verzoekster en de buitenlandse werknemer in de zin als hiervoor uiteengezet. In haar kritiek op dit determinerend motief komt de verzoekster derhalve niet verder dan het formuleren van een andere beoordeling van dit feitelijk gegeven waarop het motief steunt, maar ze maakt niet aannemelijk dat de verwerende partij bij de kwalificatie van dit feit als voorafgaande tewerkstelling in de zin als hiervoor gesteld, tot een conclusie is gekomen die als kennelijk onredelijk te beschouwen is.