Raad van State - 224.092 - 26-06-2013

Samenvatting

In de aanvankelijk bestreden beslissingen werd dus mede in aanmerking genomen dat de verzoekers niet hebben aangetoond dat hun nationale autoriteiten hen geen afdoende bescherming kunnen bieden. De verzoekers hebben in hun verzoekschrift tot beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze vaststelling niet aangevochten en geen melding gemaakt van een “morele barrière om beroep te kunnen doen op de nationale autoriteiten die zij niet kunnen overstijgen”. Zij hebben van dit laatste voor het eerst gewag gemaakt in hun verzoek tot horen na ontvangst van de beschikking op grond van artikel 39/73 van de Vreemdelingenwet, terwijl zij zich in het verzoekschrift tot beroep uitsluitend tegen de in de aanvankelijk bestreden beslissingen vastgestelde ongeloofwaardigheid van hun asielrelaas hadden gericht. 
De verzoekers stellen derhalve ten onrechte in het bewuste verzoek tot horen dat zij zich “(z)oals aangegeven in het verzoekschrift en zoals blijkt uit de stukken van het dossier” op die morele barrière hebben beroepen. Een vraag tot horen na een beschikking op grond van artikel 39/73 van de Vreemdelingenwet heeft uitsluitend tot doel mee te delen dat men zijn standpunt alsnog op de terechtzitting wil uiteenzetten. Die vraag biedt de betrokkene echter geenszins de mogelijkheid nieuwe middelen of argumenten aan te voeren. Het gaat er enkel om dat de betrokkene die daarom verzoekt de mogelijkheid krijgt zijn standpunt op de terechtzitting uiteen te zetten als hij het niet eens is met de in de beschikking opgenomen argumentatie.
De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet vastgelegde jurisdictionele motiveringsplicht verplicht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er derhalve niet toe te antwoorden op in een vraag tot horen ontwikkelde middelen of argumenten. Die middelen of argumenten moeten enkel worden onderzocht als zij op ontvankelijke wijze zijn aangevoerd, hetgeen te dezen in de vraag tot horen niet het geval was. Het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel zijn niet geschonden door de mogelijkheid van een schriftelijke procedure overeenkomstig artikel 39/73 van de Vreemdelingenwet, vermits de betrokkene ook kan vragen om te worden gehoord. Wat dat betreft kan worden verwezen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 88/2012 van 12 juli 2012, waarin onder meer het volgende wordt overwogen.
Uit geen enkel stuk van het rechtsplegingsdossier blijkt dat de verzoekers hun argumentatie met betrekking tot de “morele barrière” op de terechtzitting hebben laten gelden. Zij tonen niet aan dat de vaststelling in het bestreden arrest dat zij “zich ter terechtzitting (beperken) tot het verwijzen naar hun verzoekschrift” onjuist is en dat zij andere elementen hebben aangevoerd waarop de eerste rechter had moeten antwoorden. Wat dat betreft tonen de verzoekers dus geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht, van het recht van verdediging of van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel aan.