Samenvatting
De verzoeker kan worden gevolgd waar hij aangeeft dat in wezen niet wordt geantwoord op het als nieuw ingeroepen gegeven dat volgens verzoeker een tweede asielaanvraag rechtvaardigt, met name het gegeven dat hij omwille van een posttraumatische stressstoornis niet in de mogelijkheid was om tijdens zijn eerste asielaanvraag een ernstig interview af te leggen. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat verweerder de aangebrachte medische stukken niet weerhoudt omdat medische motieven niet ressorteren onder de criteria van de Conventie van Genève. De medische stukken werden evenwel niet aangebracht door verzoeker bij zijn tweede asielaanvraag om aan te geven dat er thans medische problemen zouden zijn die op zich een beschermingsstatus rechtvaardigen, doch enkel ter ondersteuning van het gegeven dat hij als gevolg van een posttraumatische stressstoornis geen ernstige verklaringen kon afleggen bij de eerste asielaanvraag. Er wordt op geen enkele wijze gemotiveerd op welke grond dit betoog van verzoeker, dat wordt ondersteund aan de hand van medische verslagen, niet kan worden weerhouden als nieuw gegeven in de zin van artikel 51/8, eerste lid van de Vreemdelingenwet. De weergegeven motivering is aldus niet afdoende in de zin van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991.
Verweerder betoogt nog dat verzoeker geen belang heeft bij zijn kritiek dat de formele motiveringsplicht is geschonden, omdat bij lezing van zijn verzoekschrift zou blijken dat hij de motieven vervat in de bestreden beslissing inhoudelijk bekritiseert en aldus blijk geeft hiervan kennis te hebben. Verweerder is van mening dat het normdoel van de formele motiveringsplicht is bereikt. Dit betoog van verweerder kan evenwel niet worden gevolgd, nu verzoekers - terechte - punt van kritiek net is dat hij niet weet om welke concrete reden het door hem ingeroepen nieuw gegeven niet werd weerhouden en hij zich op dit punt dan ook niet op nuttige wijze in rechte kan verdedigen tegen de bestreden beslissing. Het gegeven dat verzoeker verder in zijn middel toelicht waarom hij van mening is dat er wel degelijk sprake is van een nieuw gegeven in de zin van artikel 51/8, eerste lid van de Vreemdelingenwet doet hieraan geen afbreuk.