Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 112.666 - 18-12-2013

Samenvatting

Vrouwenbesnijdenis is een ernstige aantasting van de fysieke integriteit van de meisjes en vrouwen dat mogelijk zwaarwegend psychisch leed kan veroorzaken. Evenmin wordt betwist dat de praktijk van vrouwenbesnijdenis wijd verspreid is in Guinee, noch dat ze in hoofdzaak cultureel is ingegeven (zie ook het door verzoekster geciteerde Duits rapport van 2007, het Nederlands ambtsbericht en de ‘SRB FGM’). Uit de toegevoegde informatie blijkt dat het gebruik van deze praktijk niet in gelijke mate aanwezig is in alle delen van Guinee, noch bij alle bevolkingsgroepen en evenmin in alle maatschappelijke geledingen. Er wordt ten slotte ook niet betwist dat verzoekster besneden is, noch dat haar dochters niet besneden zijn.
De commissaris-generaal antwoordt op 17 december 2012 dat de NGO Tostan wel degelijk bekend is met de problematiek van de besnijdenis in Guinee waarbij hij verwijst naar de webpagina van de organisatie en stelt dat Tostan opgenomen is als referentie NGO op het vlak van vrouwelijke genitale verminking (VGV) in meerdere rapporten, zoals in het US Department of State, 2010 Human Rights report: Guinea en het jaarrapport 2011 van 'UNFPA-UNICEF. Ten slotte stelt de commissaris-generaal dat het terreinonderzoek van het CGRA van 2011 in Guinee heeft kunnen vaststellen dat Tostan behoort tot de verenigingen die actief zijn op het terrein van VGV.
Het verzoekschrift verwijst op dit punt naar de brief van het BCHV maar brengt geen nadere informatie aan die de beoordeling van de NGO Tostan door de commissaris-generaal weerlegt. Daarenboven  kan de Raad bij eenvoudig nazicht van deze betwiste en toegevoegde website van Tostan vaststellen dat er wel degelijk uitgebreide informatie te vinden is over de gezondheidscampagnes van Tostan ter voorkoming van VGV. Verzoekster steunt op dit punt onjuiste informatie van het BCHV. De Raad kan dan ook niet besluiten dat deze bron niet dienstig is, noch dat de ‘SRB huwelijk’ zich aldus op dit punt niet mede op deze bron kon steunen. 
Uit de door verzoekster aangebrachte informatie van 2005 (Guinée Enquête Démographique et de Santé, stuk 12 bij het verzoekschrift) blijkt dat het percentage van de besneden vrouwen in stedelijke gebieden 93,9 % en in de administratieve regio (en dus niet enkel de stad) Conakry 94,2 % bedraagt, waarbij dit onder opgeleide vrouwen (middelbare school en hoger) 89,9% is. Er is tevens een afname van het percentage besneden vrouwen merkbaar van 99,5 % in de leeftijdscategorie 45-49 tot 89,3 % in de leeftijdscategorie 15-19 jaar. Uit deze toegevoegde informatie kan niet afgeleid worden of gerapporteerd werd in 2005 op basis van cijfers van hetzelfde jaar of van voorgaande jaren. De ‘SRB FGM’ van september 2012 wijst er op dat “Le projet Espoir” (consortium van Pathfinder International, Tostan en PSI Guinée), met financiële steun van USAID, een enquête heeft uitgevoerd waarvan de resultaten werden openbaar gemaakt in augustus 2011. Deze studie richt zich op de praktijk van de besnijdenis van meisjes van 4 tot 12 jaar en werd uitgevoerd op een nationale steekproef van 4407 personen tussen 18 en 55 jaar die minstens één meisje ten laste hebben op leeftijd van besnijdenis, tussen 4 en 12 jaar. De bevraagde vrouwen en mannen verklaarden in juni 2011 dat meer dan de helft van hun dochters nog niet besneden waren (50,7 %), met een hoger  percentage te Conakry (69,1 %) en Midden- Guinee (63,4 %). Hoewel meer dan de helft van de respondenten (55,8%) opteerden voor het handhaven van de besnijdenis, daalt het voornemen tot VGV opvallend op nationaal niveau: 53% op nationaal niveau, tegen 61% in 2009 tijdens de eerste enquête.
Deze gegevens werden verkregen op basis van een vrij grote gediversifieerde steekproef en zijn ook recenter zijn (2011 ten opzichte van de cijfers van 2005 waarop verzoekster steunt). Indien met verzoekster enige kanttekening kan geplaatst worden over de waarde van dergelijke enquêtes nu inderdaad mogelijk is dat sommigen het “te verwachten antwoord zullen geven en niet noodzakelijk wat werkelijk wordt gevolgd als praktijk” dan stellen alle rapporten en ook beide partijen anderzijds ook dat besnijdenis maatschappelijk grotendeels aanvaard is en zelfs verwacht wordt. Wat ook de werkelijke prevalentie van vrouwenbesnijdenis is, kan uit deze studie wel blijken dat steeds meer jonge moeders/ouders besnijdenis niet langer als de enige optie zien en dit wel degelijk een belangrijke evolutie is in de bewustwording van de negatieve gevolgen van besnijdenis voor de gezondheid van hun dochters. 
Deze vaststelling, dat in Guinee steeds meer ouders, vooral in een stedelijke omgeving (zoals Conakry) en in intellectuele middens, niet langer willen dat hun dochter wordt besneden en de nodige maatregelen nemen om hun dochter tot haar meerderjarigheid te beschermen tegen deze praktijk, kan ook blijken uit gesprekken met de materniteit van het ziekenhuis van Donka van 2011, met de directeur van de polykliniek van Conakry en een socioloog (zie de ‘SRB FGM’ van september 2012). Daarnaast bevestigt de NGO RADDHO-Guinée (Rencontre Africaine pour la Défense des Droits de l’Homme) die vooral oog heeft voor de maatschappelijke gevolgen van niet-besnijdenis, eveneens deze evolutie. Er is volgens hen en andere bronnen uit onder meer de medische wereld, het ministerie van gezondheid, de school voor vroedvrouwen, de ‘Coalition Nationale de Guinée pour les Droits et la Citoyenneté de la Femme’, Tostan en Avocats Sans Frontières, geen sprake van een fysieke bedreiging van niet-besneden vrouwen, noch een discriminatie op het gebied van werk. Indien het Ministerie van Gezondheid een zekere sociale marginalisatie niet uitsluit, wordt deze mening niet gedeeld door de CPTAFB (Cellule de coordination sur les Pratiques Traditionnelles Affectant la santé des Femmes et des Enfants). Er kan dan ook besloten worden dat niettegenstaande de reële maatschappelijke druk in Guinee, moeders, althans globaal genomen, hun dochters kunnen beschermen tegen besnijdenis. Gezien aldus de veelheid en diversiteit van bronnen in de ‘SRB FGM’ en updates, kan verzoekster niet gevolgd worden waar zij beweert “Overigens voert verwerende partij geen enkele bron aan” die deze “stelling onderbouwt”.
Verzoekster kan echter niet overtuigen waar ze stelt dat ze Guinee heeft verlaten om haar dochters te beschermen tegen besnijdenis. Opnieuw dient te worden gewezen op verzoeksters gebrek aan medewerking haar identiteit aan te tonen en die van haar kinderen. Zoals hoger gesteld heeft ze hiervoor geen aannemelijke verklaring zodat niet kan worden vastgesteld wie de vader is van de meisjes, noch waar ze geboren zijn. Dit klemt te meer nu verzoeksters jongste dochter slechts enkele maanden oud was toen ze asiel aanvroeg en haar reisdata niet aannemelijk zijn. De post-factum verklaringen inzake de leeftijd van de dochter in het verzoekschrift dat “verzoeksters dochtertje was tussen 4 januari en 4 februari twee maanden oud” zijn daarenboven strijdig met verzoeksters verklaringen tijdens het CGVS-gehoor “Ik weet de dag dat ze haar zouden besnijden, was ze net 2 maand”, dus op 4 januari 2012 (CGVS-gehoor 11/2/2013 p.18). Verzoekster was niet “approximatief” in haar chronologie, maar plaatste de feiten in een duidelijk tijdskader.
Met de commissaris-generaal kan vastgesteld worden dat verzoekster niet aantoont in Guinee een bijzondere belangstelling te hebben in deze aangelegenheid. Verzoekster is niet bekend met de groepen in Guinee die zich tegen de besnijdenis hebben opgesteld en ze sprak enkel met twee personen over de besnijdenis (CGVS-gehoor 11/3/2013 p. 23). Verzoekster herhaalt ter terechtzitting dat ze hierover slechts ‘iets’ zag op de televisie maar ze niet goed begrepen had waarom sommige vrouwen die besnijdenis uitvoerden hun scharen weggooiden. Verzoeksters onbekendheid is te meer betekenisvol nu ze wist (CGVS-gehoor 11/3/2013 p. 23) dat twee meisjes uit haar buurt zijn gestorven na een besnijdenis en verklaart (CGVS-verhoor van 11/2/2013) dat “haar” generatie er wel tegen is, wat ze wijzigt in de generatie van “Guineese vrouwen die ze in België tegenkwam”. Voorts heeft verzoekster een vriendin die tegen besnijdenis was “Heeft uw vriendin dochters? Ja, ze heeft een meisje. Is ze dan besneden? Neen” en “Ze had me altijd gezegd dat ze haar dochter nooit zou besnijden en als iemand dat wil doen, zou ze het niet laten doen. Dat, heeft ze een paar keer herhaald” (p. 22). Verzoekster stelt dat zij enkel haar oom aansprak over de besnijdenis van haar dochter Am. en zich niet ging bevragen bij haar vriendin die hierover een uitgesproken mening had (p.23). Aldus kan niet blijken dat verzoekster uit voorzorg tegen de besnijdenis van haar dochters is vertrokken nu ze voor haar vertrek uit Guinee geen minimale inspanningen deed om zich nuttig te bevragen en ter plaatse maatregelen te overwegen. Bovendien kan blijken (zie informatie toegevoegd aan het administratieve dossier) dat de drempel tot het verkrijgen van informatie tegen besnijdenis laag ligt met name op het niveau van de ziekenhuizen in Conakry (waar verzoekster beweerdelijk pas bevallen was) en van de prefectuur en kraamklinieken.
Uit alle neergelegde informatie blijkt dat de beslissing tot het al dan niet besnijden van een meisje in handen ligt van de moeder. Ook alle cijfermateriaal aangevoerd door beide partijen zijn het resultaat van de ondervraging van de moeder en/of ouders. Echter, niettegenstaande vrouwenbesnijdenis een vrouwenzaak is, richt verzoekster zich tot haar oom om te vermijden dat haar dochters besneden worden. Indien het weinig kan overtuigen dat verzoekster een dergelijke kwestie niet eerst bespreekt met haar zussen, moeder en tante (met wie ze wel haar beweerd huwelijk bespreekt) dan kan de Raad slechts akte nemen van verzoeksters verklaringen waaronder haar bewering dat haar oom haar hielp om naar Europa te vertrekken omwille van deze reden. 
Hoe dan ook, daargelaten verzoeksters beweegredenen om naar Europa te komen, stelt ze thans tegen besnijdenis te zijn. Verzoekster dient aan te tonen wat haar, in tegenstelling tot steeds meer moeders in Guinee waaronder haar vriendin, kan verhinderen verantwoordelijkheid op te nemen voor haar dochters. Een algemene verwijzing naar sociale, familiale en culturele gegevens is onvoldoende om dit in concreto aan te tonen. Gezien verzoekster haar huwelijk niet aantoont, kan tevens de beweerde druk vanwege haar schoonfamilie en de vrees voor de schoonzus in hoofde voor haar dochters niet worden aangenomen. Ook volgens haar eigen verklaringen wenst ze geen band met de familie van de vader van haar dochters. Waar verzoekster nog aanvoert dat “haar oom bij de chef de quartier bescherming heeft gezocht doch dat deze weigerde om tussen te komen. Verwerende partij stelt niet dat dit ongeloofwaardig is of waarom dit ongeloofwaardig zou zijn” klemt dit met het wettelijk verboden karakter van besnijdenis en de toenemende juridische afdwingbaarheid en maatschappelijke sensibilisering hieromtrent. Evenwel, indien de Raad uit de aangevoerde informatie van beide partijen vaststelt dat de strafrechtelijke vervolging van besnijdenissen in Guinee alsnog te wensen overlaat, dan kan dit niet beletten om desgevallend een klacht in te dienen, indien nodig bij een hogere of centrale instantie en met de steun van een NGO of gespecialiseerde organisatie die verzoekster inmiddels bekend zijn. Echter verzoekster maakt niet aannemelijk dat zij hier überhaupt een beroep op moet doen. Aldus, indien verzoekster werkelijk tegen de besnijdenis is dan kan niettegenstaande verzoeksters betoog over de prevalentiecijfers, blijken dat verzoekster hierover zelf kan beslissen te meer nu ze een volwassen opgeleide vrouw is met buitenlandse ervaring en kennis, die kan buigen op de actieve steun van een netwerk van familieleden. De mogelijke druk van de vrouwelijke familieleden van haar eigen familie werd in casu niet aangevoerd en verzoekster verklaarde dat ze doorheen haar leven werd gesteund door haar moeders kant van de familie. De door verzoekster ter terechtzitting neergelegde attesten van GAMS veranderen hier niets aan. Waar verzoekster nog een vrees voor haar herbesnijdenis inroept dient te worden vastgesteld dat geen grond voor een dergelijke vrees kan blijken uit de neergelegde documenten. Immers deze praktijk is ongebruikelijk in Guinee tenzij de besnijdenis niet goed (voldoende) is gebeurd (zie ‘SRB FGM’ wat tevens wordt gesteld in het geciteerde verslag van INTACT).
Ten slotte is het belangrijk te onderlijnen dat verzoekster ook de maatschappelijke evolutie in Guinee aan haar kant heeft. Verzoekster betwist de cijfers uit de nieuwe ‘SRB FGM’ van april 2013 die ter terechtzitting van 25 juni 2013 werd neergelegd en brengt op 26 augustus 2013 nieuwe stukken aan die haar standpunt moeten ondersteunen, een nieuw rapport van UNICEF van 2013, een nieuw ambtsbericht Guinee van maart 2013 en correspondentie tussen UNFPA en INTACT. De Raad ziet niet in wat verzoekster wil aantonen met de mail tussen het BCHV en UNFPA nu deze mail geheel onduidelijk is en enkel stelt dat er geen gepubliceerde studie voor handen is die een verlaging van de prevalentie kan aantonen. De cijfers zouden stagneren maar er wordt niet aangegeven welke gegevens werden gebruikt, noch wordt dit rapport nader toegelicht of bijgevoegd. Zoals verweerder ter terechtzitting stelt, steunt verzoekster zich echter op oude gegevens nu ook het nieuwe rapport van UNICEF van 2013 haar cijfers niet geactualiseerd heeft. UNICEF steunt zich nog steeds op cijfers van 2005 zodat uiteraard dezelfde conclusies werden herhaald (zie onder meer de referentie bij map 4.2.). Het ambtsbericht brengt evenmin nieuwe gegevens aan tenzij duidelijk wordt gemaakt dat de persoon die de besnijdenis moet ondergaan, zelden kan optreden tenzij ze tot een volksgroep behoort die de besnijdenis pas op latere leeftijd doorvoert. Bij de meeste bevolkingsgroepen uit Guinee worden de meisjes op jongere leeftijd besneden zodat ook het ambtsbericht stelt dat de moeders hierin de hoofdrol hebben. Voorts stelt het ambtsbericht dat vrouwen die naar het buitenland trekken om de besnijdenis van hun dochter te voorkomen hier niet noodzakelijk in slagen omdat de besnijdenis alsnog kan plaatsvinden tijdens vakanties in Guinee. Ter terechtzitting kwam ook ter sprake dat het niet uit te sluiten is dat besnijdenis ook in Europa kan worden uitgevoerd.
Indien een bepaalde sociale discriminatie van de onbesneden meisjes niet uitgesloten wordt, althans niet volgens de huidige normen, dan kan de Raad niet speculeren over de verdere maatschappelijke evolutie op dit vlak te meer nu verzoeksters dochters nog kleuters zijn. Enkel kan vastgesteld worden dat deze sociale discriminatie thans volgens alle bronnen geen ernstige vormen aanneemt, het de meisjes niet belet school te lopen, werk te vinden of te huwen (zie ‘SRB FGM’). Deze sociale discriminatie kan actueel aldus niet aanzien worden als daden van vervolging zoals omschreven in artikel 48/3, § 2 van de Vreemdelingenwet.
In acht genomen wat voorafgaat, kan in hoofde van de verzoekende partij geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A(2) van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden genomen.
Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de criteria van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet. Verzoekster beroept zich voor de toekenning van de subsidiaire bescherming op dezelfde elementen als voor de vluchtelingenstatus. Aangezien verzoeksters vluchtrelaas niet geloofwaardig is, kan zij zich niet steunen op de elementen die aan de basis van haar relaas liggen om aannemelijk te maken dat zij in geval van terugkeer naar haar land van herkomst een reëel risico op ernstige schade zou lopen zoals bedoeld in artikel 48/4, § 2, a) en b) van de Vreemdelingenwet.
Volledigheidshalve kan nog toegevoegd worden dat blijkt uit de SRB “Guinee – Situatie op het vlak van de veiligheid” van 10 september 2012 toegevoegd aan het administratief dossier, dat Guinee in 2012 werd geconfronteerd met interne spanningen, geïsoleerde en sporadische daden van geweld en andere vergelijkbare daden. Guinee wordt echter niet geconfronteerd met willekeurig geweld en er is geen gewapende oppositie in het land. Verzoekster brengt geen stukken bij die deze informatie kunnen weerleggen. Aldus is er actueel geen sprake van een situatie van willekeurig geweld in Guinee zodat er ten aanzien van verzoekster geen zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat zij louter door haar aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c) van de Vreemdelingenwet.
Noch uit verzoeksters verklaringen, noch uit de andere elementen van het dossier en ter terechtzitting neergelegde stukken blijkt dat zij voldoet aan de criteria van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. 
De ingeroepen schending van de artikelen 48/6 (oud artikel 57/7ter) van de Vreemdelingenwet mist feitelijke grondslag, nu verzoekster om voormelde redenen niet in aanmerking komt voor de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus, voorzien bij de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet.  Aldus is ook de schending van artikel 48/7 (oud artikel 57/7bis) ongegrond.