Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 117.008 - 16-01-2014

Samenvatting

De Raad stelt vast dat er in de SRB (Subject Related Briefing) geen sprake is van eenduidige (en op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde) cijfers met betrekking tot de prevalentie van en/of een betekenisvolle daling van de prevalentiecijfers met betrekking tot GVV (Genitale Vrouwenverminking) in Guinee.
De in de SRB aangehaalde beschikbare bescherming door de overheid onder meer met betrekking tot GVV moet in de context van het volledige rapport van Landinfo sterk gerelativeerd worden. Dit wordt bevestigd door het feit dat uit de SRB blijkt dat de wettelijke verbodsbepalingen inzake genitale vrouwenverminking in de praktijk weinig of niet toegepast worden (SRB. P. 16-17).
De Raad meent dat het motief uit de bestreden beslissing dat verzoekster "slechts" haar eigen persoonlijke en uit eigen ervaringen voortvloeiende redenen voor haar weerstand tegen genitale vrouwenverminking en dit "slechts een beperkte argumentatie" zou zijn, niet overtuigt. Verzoeksters argumentatie geput uit het eigen leven en ervaring is aannemelijk. Het is niet duidelijk wat het CGVS als argumentatie verwacht, maar meer theoretische overwegingen en argumenten zouden waarschijnlijk minder doorleefd en overtuigend overkomen.
Uit deze vermelding in de SRB dat het meer en meer ouders - voornamelijk in stedelijke context en voornamelijk intellectuelen - betreft, valt niet af te leiden hoe realistisch en veel voorkomend of uitzonderlijk een dergelijke situatie van bescherming door de ouders is in de Guinese context. Genitale Vrouwenverminking (GVV) gebeurt immers ook door of op vraag van andere familieleden tegen de zin in van de ouders. De realiteit van de mogelijkheid van bescherming door de ouders hangt ook nauw samen met het huidige prevalentiecijfer van besnijdenissen en of dit inderdaad sinds 2005 (96%) op significante wijze gedaald is.
De beschikbare gegevens in dit verband in de SRB en de bronnen waar deze SRB naar verwijst zijn niet eenduidig en duidelijk met betrekking tot een dergelijke daling en tot de mogelijkheid voor verzoekster en haar echtgenoot om een reële bescherming tegen GVV te bieden aan haar dochter tot aan de meerderjarigheid zoals gesteld in de bestreden beslissing. Ook met betrekking tot het bewijs (van de datum) van het islamitisch huwelijk beschikt de Raad niet over informatie in het administratief dossier waaruit blijkt welk bewijs hiervan redelijkerwijze verwacht kan worden.