Samenvatting
Uit de aan de Raad voorlegde stukken blijkt dat verzoekster in haar aanvraag tot gezinshereniging uitdrukkelijk te kennen gaf dat zij het feit dat zij diende in te staan voor vier jonge kinderen, waarvan één schoolplichtig, wenste aan te voeren als een buitengewone omstandigheid die haar verhinderde om het op grond van artikel 2 van de Vreemdelingenwet vereiste visum te vragen bij de bevoegde Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger. Zij lichtte tevens toe dat zij van oordeel was dat indien zij haar gezinsleden zou dienen te verlaten dit een inbreuk op haar recht op een gezinsleven en derhalve een schending van artikel 8 van het EVRM tot gevolg zou hebben. Verzoekster verwees dus uitdrukkelijk naar het gegeven dat verweerder bij zijn beoordeling rekening diende te houden met een verdragsrechtelijke norm. De Raad stelt vast dat de motivering van de bestreden beslissing niet toelaat te begrijpen waarom verweerder concludeerde dat de verplichtingen die verzoekster heeft ten aanzien van haar vier jonge kinderen niet kunnen worden beschouwd als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 12bis, § 1, tweede lid, 3° van de Vreemdelingenwet en waarom hij oordeelde dat verzoekster niet dienstig kon verwijzen naar de bescherming die geboden wordt door artikel 8 van het EVRM. Verweerder beperkte zich tot het uiteenzetten van de reden waarom hij een tweede door verzoekster als buitengewone omstandigheid ingeroepen gegeven – met name het feit dat er in Bosnië-Herzegovina slechts een diplomatiek bureau is zonder consulaire bevoegdheden – niet als een buitengewone omstandigheid aanvaardde. De motivering van de bestreden beslissing is in voorliggende zaak derhalve onvolledig en niet draagkrachtig. Zij laat verzoekster niet toe om de precieze overwegingen die aan de basis liggen van een belangrijk onderdeel van de bestreden beslissing te kennen en om met volledige kennis van zaken haar rechtsmiddelen aan te wenden.