Raad van State - 219.276 - 9-05-2012

Samenvatting

Bij een verblijfstitel met een declaratoir karakter ontstaat het verblijfsrecht van de betrokkene uit (bijvoorbeeld) een bepaalde familieband of een bepaalde hoedanigheid van de betrokkene en vormt de afgifte van de ermee overeenstemmende verblijfstitel slechts de vaststelling van het verblijfsrecht van de betrokkene. Wanneer die bepaalde familiebetrekking of hoedanigheid niet meer bestaat, gaat het verblijfsrecht teloor, ook wanneer de betrokkene nog in het bezit van zijn verblijfstitel is. Het is anders gesteld bij een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid (oud) of thans 9bis van de Vreemdelingenwet. Deze heeft een rechtscheppend of constitutief karakter: het verblijfsrecht van de vreemdeling ontstaat slechts door de afgifte van die machtiging. Dergelijke machtiging kan mede gesteund zijn op een bepaalde familieband doch het verblijfsrecht ontstaat niet uit die familieband zelf. Het verblijfsrecht gaat niet teloor omdat de feitelijke situatie waarop de machtiging tot verblijf is gesteund wijzigt doch enkel in de in de wet voorziene gevallen. 
De verzoekende partij gaat ervan uit dat, bij verval van het verblijfsrecht van zijn echtgenote, ook het verblijfsrecht van de verweerder zelf kwam te vervallen. Ook al wordt niet betwist dat de verweerder enkel tot verblijf werd gemachtigd omwille van het verblijfsrecht van zijn echtgenote en dat het verblijfsrecht van zijn echtgenote inmiddels is vervallen, dit doet geen afbreuk aan hetgeen in het bestreden arrest wordt vastgesteld, met name dat de verzoeker een “machtiging” tot verblijf met toepassing van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet heeft verkregen en dat hij dus niet van een “recht” op verblijf ingevolge zijn huwelijk genoot dat vanzelf teloor zou zijn gegaan door het feit dat zijn echtgenote niet meer over een verblijfsrecht beschikte. 
In het bestreden arrest wordt dus wel degelijk rekening gehouden met het feit dat de verweerder gehuwd is, dat de machtiging tot verblijf van 4 november 2008 enkel op het verblijfsrecht van zijn echtgenote was gesteund, dat het verblijfsrecht van zijn echtgenote op het huwelijk van haar vader was gesteund en dat diens huwelijk nietig werd verklaard.
Nu vaststaat dat de verweerder was gemachtigd tot verblijf voor een beperkte duur, citeert de eerste rechter terecht artikel 13, § 3 van de Vreemdelingenwet waarin de gevallen worden vermeld waarin een bevel om het grondgebied te verlaten kan worden gegeven “aan de vreemdeling die werd gemachtigd om voor een beperkte tijd in het Rijk te verblijven (…)” om vast te stellen dat de verzoeker niet langer in het Rijk verbleef dan de termijn waartoe hij werd gemachtigd, dat hem geen voorwaarden werden opgelegd waaraan hij tijdens zijn verblijf diende te voldoen en dat geen enkel stuk beschikbaar is waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de verzoeker zelf heeft gepoogd de verwerende partij op enige wijze te misleiden. De verzoekende partij toont wat dat betreft geen schending van artikel 9bis en/of artikel 13, § 3, van de Vreemdelingenwet aan.
Artikel 35 van het Vreemdelingenbesluit bepaalt dat de verblijfs- of de vestigingsvergunning, EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of enig ander Belgisch verblijfsdocument wordt ontnomen aan de vreemdeling aan wie kennis wordt gegeven van een maatregel tot verwijdering van het grondgebied. De verzoekende partij is van oordeel dat zij kon beslissen het verblijfsdocument in te trekken zonder dat zij een attest van afneming moest laten betekenen. Die kritiek laat echter het motief in het bestreden arrest onverlet dat te dezen de maatregel tot verwijdering van het grondgebied zelf niet wettig is genomen. Wat dat betreft kan worden verwezen naar artikel 13, § 3, van de Vreemdelingenwet en de uiteenzetting hierboven.
De verzoekende partij stelt ten slotte “dat aan de beslissing tot toekenning van een verblijfsmachtiging een manifest bedrog ten grondslag ligt dan wel dat deze door een zodanige onregelmatigheid is aangetast dat zij voor onbestaande moet worden gehouden”. Daarmee vraagt zij in wezen een nieuwe beoordeling ten gronde in de plaats van deze in het bestreden arrest, waar is overwogen dat de beslissing om de huidige verweerder tot een verblijf in het Rijk te machtigen werd genomen door een daartoe bevoegde ambtenaar en met respect voor hetgeen bepaald is in het oude artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet en dat de huidige verzoekende partij niet aantoont dat zij pas na de toekenning van de machtiging tot verblijf kennis kon hebben of kreeg van de vernietiging van het huwelijk van de schoonvader van de huidige verweerder.