Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 111.283 - 3-10-2013

Samenvatting

De Raad dient echter op te merken dat geen bevel mag worden gegeven wanneer dat in strijd zou zijn met een aantal verdragsrechtelijke bepalingen die directe werking hebben, waaronder het EVRM. Het feit dat de verweerder in uitvoering van de Vreemdelingenwet in welbepaalde gevallen slechts over een gebonden bevoegdheid beschikt met betrekking tot het uitvaardigen van een bevel om het grondgebied te verlaten, neemt niet weg dat ook in deze gevallen een bevel om het grondgebied te verlaten een schending kan uitmaken van een bepaling van het EVRM. Het EVRM primeert op de Vreemdelingenwet en de Raad dient dan ook in het kader van onderliggende procedure de gegrondheid te onderzoeken van de middelen die gestoeld worden op een schending van bepalingen van het EVRM. 
Uit artikel 74/11, §1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet blijkt dat een inreisverbod enkel gepaard kan gaan met een bevel om het grondgebied te verlaten. Zoals verzoeker terecht opmerkt in zijn verzoekschrift , houdt een eventuele schorsing van de tweede bestreden beslissing ook een schorsing in van de derde bestreden beslissing aangezien het inreisverbod op zichzelf niet kan overeind blijven. Het volstaat derhalve middelen te ontwikkelen aangaande de tweede bestreden beslissing en de link te leggen met de derde bestreden beslissing. 
De verwerende partij heeft de plicht om de veiligheidssituatie en/of humanitaire situatie in Afghanistan, die volatiel is, op de voet te volgen en haar handelen, met name de uitvoering van een gedwongen verwijdering, te baseren op actuele informatie m.b.t. situatie in Afghanistan. In die zin kan van de verwerende partij verwacht worden dat zij kennis heeft of zou moeten hebben minstens van het door verzoeker in zijn verzoekschrift besproken zeer recente rapport van de UNHCR dat prima facie lijkt te wijzen op een problematische veiligheidssituatie en/of humanitaire situatie in Kaboel dan wel Herat en dat zij in de tweede bestreden beslissing een risico-analyse maakt, d.w.z. motiveert waarom ondanks deze informatie, een gedwongen verwijdering naar Afghanistan in het geval van verzoeker rekening houdend met de omstandigheden die zijn zaak kenmerken, toch kan plaatsgrijpen. Deze verwachting dringt zich des te meer op aangezien de derde asielaanvraag van verzoeker dateert van 9 mei 2011 en zedefinitief beoordeeld werd door de Raad op 23 september 2011, terwijl de recente informatie aangaande de toestand in Afghanistan die verzoeker meedeelt in zijn verzoekschrift dateert van 6 augustus en 5 september 2013. De Raad stelt evenwel vast dat de tweede bestreden beslissing daarvan helemaal geen gewag maakt en dat evenmin uit het administratief dossier blijkt dat een dergelijke afweging zou gebeurd zijn. Verwerende partij kan niet gevolgd worden wanneer ze in haar nota poneert dat verzoeker zich beperkt tot loutere beweringen die hij geenszins staaft. Verder wijst de verwerende partij op het feit dat verzoeker noch de vluchtelingenstatus noch de subsidiaire beschermingsstatus toegekend kreeg, maar de Raad herhaalt dat volgens de asielinstanties verzoeker niet tot aan zijn vertrek naar België in 2006, in Afghanistan, Herat gewoond heeft en hem daarom kort gezegd geen subsidiaire beschermingsstatus en vluchtelingenstatus toekenden. Alleszins werd zoals reeds eerder gesteld, de laatste asielprocedure afgesloten in september 2011 en is er een tijdspanne van twee jaar tussen de afsluiting van de asielprocedure en het treffen van onderhavige verwijderingsmaatregel waarvan de verwerende partij de gedwongen tenuitvoerlegging plant. Verwerende partij kan dan ook niet anno 2013 teruggrijpen naar een in 2011 gedane beoordeling door de asielinstanties.