Raad van State - 205.924 - 28-06-2010

Samenvatting

Overwegende, wat het eerste onderdeel van het enige middel betreft, dat, door enerzijds te beslissen dat artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), een rechtmatige toepassing van de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen niet in de weg staat, dat “artikel 8 van het EVRM (...) niet (kan) worden uitgelegd als zou verzoekster opgrond hiervan een vestingsrecht kunnen erkend zien, zonder aan de daartoe in artikel 40bis van de Vreemdelingenwet gestelde voorwaarden te voldoen” en door bijgevolg niet in te zien “waarom de gemachtigde van de minister nog specifiek diende te motiveren in de (initieel) bestreden beslissing waarom ondanks artikel 8 van het EVRM verzoekster geen verblijfsrecht erkend kan zien”, doch door anderzijds te stellen dat uit de motieven van de beslissing waarbij een bevel om het grondgebied te verlaten wordt getroffen de elementen moeten blijken die een inbreuk op het recht op gezinsleven verantwoorden, zoals bepaald in artikel 8, tweede lid, van het E.V.R.M. en dat duidelijk blijkt “dat de gemachtigde van de minister bij het nemen van het kwestieuze bevel om het grondgebied te verlaten in gebreke bleef om de vereiste afweging te maken”, het bestreden arrest tegenstrijdige motieven bevat; dat de omstandigheid dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten opdeelt in twee componenten, hieraan geen afbreuk doet, aangezien er slechts één beslissing (bijlage 20) met één motivering werd genomen; dat het bestreden arrest aldus artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet schendt; dat het eerste onderdeel van het enige middel in die mate gegrond is