Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 114.476 - 27-11-2013

Samenvatting

In de bestreden beslissing wordt toepassing gemaakt van artikel 54 van het vreemdelingenbesluit. Deze bepaling luidt als volgt:  “Indien de minister of zijn gemachtigde een einde stelt aan het verblijf in toepassing van artikelen 40ter, vierde lid, 42bis, 42ter, 42quater of 42septies, van de wet, wordt de betrokkene hiervan kennis gegeven door afgifte van een document overeenkomstig het model van bijlage 21 met, zo nodig, een bevel om het grondgebied te verlaten. De verklaring van inschrijving of de verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie wordt ingetrokken.” Uit deze bewoordingen kan, zoals verzoekers aanvoeren, geen verplichting worden afgeleid om een bevel om het grondgebied te verlaten te geven. Integendeel, uit lezing van voornoemd artikel blijkt dat de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie en voor Maatschappelijke Integratie in geval dat het recht op verblijf wordt beëindigd, beschikt over de keuze om al dan niet een bevel om het grondgebied te verlaten te incorporeren in de beslissing tot beëindiging van verblijf van meer dan drie maanden. Nergens blijkt dat het de bedoeling is geweest van de wetgever om de minister of zijn gemachtigde te binden om in bepaalde gevallen een bevel om het grondgebied af te leveren. Aldus laat de toepasselijke regelgeving door het gebruik van de bewoording “zo nodig” de vrijheid aan het bestuur om al dan niet een bevel om het grondgebied te verlaten te incorporeren in de beslissing tot beëindiging van verblijf van meer dan drie maanden. Deze keuzevrijheid wijst op een zekere discretionaire beoordelingsbevoegdheid waarover verweerder beschikt. 
Mutatis mutandis kan verwezen worden naar de arresten van de Raad van State: RvS 19 juli 2012, nrs. 220.339 en 220.340 stellende aangaande artikel 52, § 4, vijfde lid van het vreemdelingenbesluit: “Anders dan verzoekende partij voorhoudt, kan uit de bewoordingen geen verplichting worden afgeleid om een bevel om het grondgebied te verlaten te geven. Het woord “desgevallend” wijst integendeel op een mogelijkheid en betekent juist niet dat in ieder geval een bevel zou moeten worden gegeven.“ De Raad meent dat ook de woorden “zo nodig” wijzen op een mogelijkheid. De Raad van State oordeelde onder meer in een arrest van 7 juni 2007 (RvS 7 juni 2007, nr. 171.887, De Schepper) dat voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan met een voldoende feitelijke grondslag en dat de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van een administratieve overheid onder meer wordt beperkt door het motiveringsbeginsel. 
Uit lezing van de bestreden beslissing blijkt dat geen enkele motivering werd gegeven waarom verweerder heeft gekozen om bij de beslissing die een einde stelt aan het recht op verblijf van meer dan drie maanden een bevel om het grondgebied te verlaten te incorporeren. De bestreden beslissing stelt verzoekers niet in staat na te gaan op basis van welke overwegingen verweerder heeft beslist aan eerste verzoekster en hun dochter een bevel om het grondgebied te verlaten te betekenen. Hoewel de beslissing twee componenten lijkt te bevatten, enerzijds “een beslissing tot beëindiging van het verblijfrecht” en anderzijds een “bevel om het grondgebied te verlaten”, betreft het echter een beslissing die één en ondeelbaar is (naar analogie: RvS 28 juni 2010, nr. 205.924), derwijze dat het niet mogelijk is om slechts één onderdeel van de bestreden beslissing nietig te verklaren. Indien dit gedaan wordt, wordt de aard van de desbetreffende beslissing gewijzigd.