Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 106.301 - 3-07-2013

Samenvatting

Verzoekster stelt echter dat zij zich bevindt in de uitzonderingssituatie bepaald in artikel 42quater, § 4, 4° van de vreemdelingenwet. Deze bepaling stelt dat de beëindiging op grond van artikel 42quater, § 1, 4° van de vreemdelingenwet niet van toepassing is wanneer bijzondere schrijnende situaties dit rechtvaardigen, bijvoorbeeld indien het familielid tijdens het bedoelde huwelijk, het slachtoffer is geweest van huiselijk geweld en voor zover zij kan aantonen over voldoende bestaansmiddelen te beschikken voor zichzelf en haar familieleden, om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk, en voor zover zij beschikt over een ziektekostenverzekering die alle risico’s dekt. Waar verzoekster beweert het slachtoffer te zijn geweest van huiselijk geweld, stelt de Raad vast dat het administratief dossier daaromtrent verschillende indicaties bevat. 
Op grond van de stukken van het administratief dossier kan niet anders dan geconcludeerd worden dat de gemachtigde op de hoogte was van deze indicaties omtrent huiselijk geweld. De Raad stelt vast dat in de bestreden beslissing evenwel niet wordt gemotiveerd omtrent de eventuele toepasbaarheid van artikel 42quater, § 4, 4° van de Vreemdelingenwet. De stukken die door verzoekster werden voorgelegd worden enkel bekeken in het licht van artikel 42quater, § 1, derde lid van de Vreemdelingenwet, dat bepaalt: “Bij de beslissing om een einde te stellen aan het verblijf houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de duur van het verblijf van betrokkene in het Rijk, dienst leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.” 
De Raad herinnert er aan dat bij een beëindiging van het verblijf, dat niet geschiedt op de aanvraag van de betrokkene, het de taak van de gemachtigde is om op een zorgvuldige wijze zijn beslissing voor te bereiden en zich ervan te vergewissen dat verzoekster niet onder de uitzonderingsbepalingen van artikel 42quater, § 4, 4° van de Vreemdelingenwet valt. Niettemin achtte de gemachtigde het niet nodig verder onderzoek te verrichten naar de slagen en verwondingen of het huiselijk geweld waarvan de verzoekster het slachtoffer zou zijn. Uit het administratief dossier blijkt niet dat de gemachtigde zelfs maar een poging heeft gedaan om na te gaan welk gevolg aan de klacht van verzoekster van 18 mei 2012 werd gegeven. Van de gemachtigde mag daarenboven verwacht worden dat hij zich minstens volledig laat inlichten betreffende de in tempore non suspecto neergelegde aangifte dd. 15 mei 2012 van de persoon die getuige was van het huiselijk geweld tegen verzoekster, des te meer nu de verzoekster slechts kennis kan krijgen van de gevolgtrekkingen uit de aangifte nadat de procureur beslist dat diens onderzoek ten einde is. De Raad stelt vast dat in het uitgebreide relatieverslag van de politie van Sint-Truiden het relevante dossiernummer van deze aangifte werd vermeld alsook het gegeven dat het dossier voor verder onderzoek werd overgemaakt aan de politiezone Luik waardoor de gemachtigde alle gegevens in handen had om deze zaak verder te onderzoeken. Zoals de verzoekster stelt in het verzoekschrift diende de gemachtigde in casu verder onderzoek te verrichten en volstaat het niet te stellen dat het gepleegde huiselijk geweld niet bewezen is, indien er overeenstemmende vermoedens zijn die op het bestaan van geweld wijzen. Daargelaten de vraag of verzoekster in aanmerking komt voor de uitzonderingssituatie bedoeld in artikel 42quater, § 4, 4° van de Vreemdelingenwet, stelt de Raad vast dat de gemachtigde ten dezen zijn beslissing niet zorgvuldig heeft voorbereid. De zorgvuldigheidsplicht werd niet nageleefd.