Raad van State - 215.571 - 5-10-2011

Samenvatting

Het bestreden arrest doet uitspraak over de wettigheid van een beslissing waarmee een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9bis Vw. ongegrond wordt verklaard. Artikel 9bisVw. bevat geen criteria waar de aanvraag moet voldoen om gegrond te worden verklaard noch criteria die ertoe leiden de aanvraag ongegrond te verklaren.
In de beslissing die tot het bestreden arrest heeft geleid, wordt gesteld dat ‘de betrokkene op basis van de instructie van 19 juli 2009 wil geregulariseerd worden, dat deze instructie werd vernietigd maar dat de minister zich heeft geëngageerd om binnen zijn discretionaire bevoegdheid de criteria voor regularisatie zoals beschreven in de instructie te blijven toepassen’. In de beslissing wordt het volgende overwogen: “Aangezien betrokkene pas is aangekomen in België op 11.01.2008, voldoet betrokkene niet aan de voorwaarden inzake verblijfsduur die noodzakelijk zijn om in aanmerking te komen voor regularisatie op basis van één van de criteria van de vernietigde instructie van 19 juli 2009. Het feit dat betrokkene sinds januari 2008 in België verblijft, verschillende cursussen Nederlands heeft gevolgd, de Franse taal zou beheersen, werkwillig is, een vriendenkring zou hebben opgebouwd en hiervan getuigenverklaringen voorlegt, kan niet weerhouden worden als een grond voor regularisatie. Ondanks deze elementen aangaande de integratie van betrokkene, doet dit niet af aan de voorwaarden gesteld door de instructies dd. 19.07.2009. (…)”.
Het gaat hierbij niet meer om de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid. Uit het bovenstaande citaat van de beslissing van 26 augustus 2010 blijkt dat de aanvraag uitsluitend ongegrond is verklaard omdat niet aan de voorwaarde van de verblijfsduur uit de (vernietigde) instructie is voldaan. Die voorwaarde wordt als een dwingende reden toegepast, waarbij de bevoegde staatssecretaris over geen enkele appreciatiemogelijkheid meer beschikt en die dus in strijd is met de in het bestreden arrest voorgehouden discretionaire bevoegdheid. Artikel 9bis Vw. bevat geen voorwaarde inzake verblijfsduur, zodat de staatssecretaris op die manier zelf een voorwaarde aan de wet heeft toegevoegd.
De RvV heeft, door zich in het bestreden arrest bij het standpunt van de staatssecretaris aan te sluiten en ook naar diens discretionaire bevoegdheid te verwijzen om zich alsnog op de criteria van de vernietigde instructie van 19 juli 2009 te steunen, toegelaten dat bindende voorwaarden aan artikel 9bis Vw. worden toegevoegd en heeft die bepaling dus geschonden.
Het enige middel is gegrond.