Samenvatting
Anders dan de verwerende partij stelt, doet de niet-toepasselijkheid van de dienstenrichtlijn op niet-EU-onderdanen geen afbreuk aan de argumentatie van de verzoeker. Die niet-toepasselijkheid ligt immers precies aan de grondslag van de verschillende behandeling die door de verzoeker wordt bekritiseerd.
De ongelijke behandeling niet voort uit de Wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen. Die wet is immers overeenkomstig artikel 1, eerste lid, toepasselijk op “elke vreemdeling die op het grondgebied van het Koninkrijk een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent hetzij als fysiek persoon hetzij binnen een vereniging of een vennootschap naar rechte of in feite”.
Artikel 2 van de wet machtigt de Koning “om bepaalde categorieën van vreemdelingen die Hij vaststelt, [vrij te stellen] van de verplichting bepaald in artikel 1, hetzij wegens de aard van het beroep, hetzij wegens de aard van het recht tot verblijf, hetzij wegens de uitvoering van internationale verdragen of wegens het bestaan van een maatregel van wederkerigheid, hetzij wegens de hoedanigheid van vluchteling of staatloze van buitenlandse onderdanen die de toelating hebben verkregen om in het Rijk te verblijven of er zich te vestigen”. Artikel 1, 1° van het koninklijk besluit van 3 februari 2003 tot vrijstelling van bepaalde categorieën van vreemdelingen van de verplichting houder te zijn van een beroepskaart voor de uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit stelt onder meer “de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte” vrij van de verplichting om houder te zijn van een beroepskaart.
De bekritiseerde verschillende behandeling vloeit voor uit een koninklijk besluit en niet uit een wet. De door de verzoeker gesuggereerde prejudiciële vraag heeft bijgevolg geen betrekking op een rechtsnorm die door het Grondwettelijk Hof getoetst kan worden.
De Dienstenrichtlijn is enkel van toepassing op dienstverrichters die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of die als onderneming in een lidstaat zijn gevestigd. Als dienstverrichter valt de derdelands verzoeker dus niet onder het toepassingsgebied van de Dienstenrichtlijn. De verzoeker stelt dat hij ten onrechte niet onder het toepassingsgebied valt.
De verplichting voor derdelanders om een beroepskaart te verkrijgen, in tegenstelling tot de dienstverrichters die onder de dienstenrichtlijn vallen, komt neer op een objectief onderscheid. Dit onderscheid is verantwoord. De principiële vrijheid van vestiging en van vrije dienstverrichting op grond van de artikelen 49 en 56 VWEU zorgden in de lidstaten van de Europese Unie immers voor een verregaande economische integratie en convergentie. Hierop bouwt de Dienstenrichtlijn voort om een hogere graad van concurrentievermogen en van convergentie van economische prestaties mogelijk te maken. Dit uitgangspunt geldt niet voor de staat waarvan de verzoeker een onderdaan Dit verantwoordt dan ook het behoud van de verplichting om houder te zijn van een beroepskaart.