Samenvatting
De aangehaalde overwegingen over het niet-bestaan van een internationaal akkoord inzake tewerkstelling, lijken, hoe kort ook, zowel in rechte als in feite voldoende duidelijkheid te verschaffen over het determinerende motief van de verwerping van hun beroep. Dit blijkt overigens ook uit het feit dat de verzoekers in het middel ook de deugdelijkheid van dit dragende motief betwisten. De formele motiveringsplicht gaat niet zover dat ze de verwerende partij ertoe zou verplichten de motieven van de motieven weer te geven. De verwerende partij moet dus niet formeel motiveren waarom de door de verzoekende partijen aangehaalde aspecten uit het voorgebrachte bilateraal akkoord volgens haar geen aspecten zijn die onder de reglementaire notie “tewerkstelling” vallen.
De in artikel 10 en 11 KB Tewerkstelling Buitenlandse Werknemers beoogde internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers betreffen alleen verdragen die de toegang tot de Belgische arbeidsmarkt van vreemdelingen. Deze regelen de voorwaarden en modaliteiten waaronder vreemde werknemers kunnen gaan werken in België.
De overeenkomst noch de erbij horende administratieve schikking bevat voorwaarden en modaliteiten waaronder de onderdanen van de Republiek der Filippijnen kunnen gaan werken in België of omgekeerd. Deze overeenkomst bepaalt dus niet de toegang tot de Belgische arbeidsmarkt van vreemde werknemers. Het is integendeel een internationaal coördinatie-instrument voor de sociale zekerheidsstelsels met waarborgen ter bescherming van de onderdanen van de verdragstaten.
Er wordt niet betwist dat de vreemdeling voor wie de vergunning werd aangevraagd, niet onder één van de categorieën van personen valt bedoeld in de artikelen 9 en 38septies KB Tewerkstelling Buitenlandse Werknemers. De verplichting, gelezen in artikel 10 van voormeld KB, dat de betrokken werknemer onderdaan moet zijn van een land waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling is verbonden, geldt ten volle.
De bevoegde overheid kan weliswaar op grond van artikel 38, § 2, KB Tewerkstelling Buitenlandse Werknemers bij gemotiveerde beslissing voor individuele behartigenswaardige gevallen van deze nationaliteitsvereiste afwijken om economische of sociale redenen. Het betreft aldus een uitzonderingsregeling. De toepassing ervan moet niet systematisch worden overwogen. Het komt daarom diegene die gebruik wenst te maken van een uitzonderingsregel, toe zich daar in zijn aanvraag uitdrukkelijk op te beroepen. Doch hij moet in zijn aanvraag ook de nodige concrete gegevens aanbrengen die aantonen dat aan de door deze uitzonderingsregel gestelde voorwaarden is voldaan. Het gaat om een uitzonderingsregel waarbij de overheid verder ook een zeer ruime appreciatiebevoegdheid heeft.
Uit de stukken en uit het beroepschrift blijkt dat de verzoekende partijen zich in de administratieve beroepsprocedure niet hebben beroepen op deze uitzonderingsbepaling. De bestreden beslissing stelt dat “door de beroeper (…) onvoldoende relevante argumenten naar voor (worden) gebracht en/of bewezen die een eventuele afwijking van artikel (…) 10 (…) van het KB van 9 juni 1999 kunnen verantwoorden”. Het weigeringsmotief, dat de betrokken werknemer geen onderdaan is van een land waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden is verbonden, is wettig. Het volstaat op zichzelf om de tweede bestreden beslissing te dragen.
Het administratief beroep voorzien bij artikel 9 en 10 KB Tewerkstelling Buitenlandse Werknemers heeft een devolutieve werking. Deze houdt in dat, bij gebrek aan andersluidende bepalingen die er ten dezen niet zijn, de beroepsinstantie de aanvraag in zijn geheel, in al zijn aspecten, zowel vanuit de legaliteit als de opportuniteit opnieuw onderzoekt. Zij is daarbij niet gebonden door de motivering van de beroepen beslissing. Zij moet zich daarom niet beperken tot het onderzoek van de argumenten die tegen de beroepen beslissing worden ingeroepen en mag de vergunning weigeren om andere wettige redenen. De tweede betreden beslissing miskent door het uiteenzetten van nieuwe (en overigens overtollige) weigeringsmotieven of –argumenten, niet de devolutieve werking van het administratief beroep. De verzoekende partijen wordt geen (administratieve) aanleg ontnomen. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op administratieve procedures.
De tewerkstelling van buitenlandse werknemers in België is onderworpen is aan een gereglementeerd vergunningenstelsel. De werkgever moet een arbeidsvergunning hebben verkregen van de bevoegde overheid en de werknemer een arbeidskaart. Het verkrijgen van een dergelijke vergunning of kaart is onderworpen aan verschillende voorwaarden. Een van de voorwaarden is dat de buitenlandse werknemer onderdaan is van een land waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling is verbonden. Wanneer niet voldaan is aan deze vereiste, moet de bevoegde overheid de vergunning in beginsel weigeren. Als zij bij gemotiveerde beslissing vaststelt dat het een individueel behartigenswaardig geval betreft waarvoor zij om economische of sociale redenen afwijkt van deze voorwaarde, kan zij toch een vergunning en kaart afleveren. Bij de beoordeling van de uitzondering heeft de bevoegde overheid een zeer ruime appreciatiebevoegdheid. Omdat het een uitzonderingsregeling betreft, dient zij die uitzondering ook niet ambtshalve toe te passen. De bestreden weigeringsbeslissing is niet kennelijk onredelijk noch kennelijk onevenredig.