Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 93.824 - 17-12-2012

Samenvatting

De verzoekende partijen weigerden repatriëring op 17 oktober 2012 en kregen een beslissing tot heropsluiting. Daartegen staat, gezien artikel 71 Vreemdelingenwet, enkel een beroep open bij de raadkamer van de correctionele rechtbank van verzoekers’ verblijfplaats in het Rijk of van de plaats waar zij werden aangetroffen. Verzoekende partijen waren hiervan op de hoogte. Zij stelden immers diezelfde dag nog een verzoekschrift tot invrijheidstelling op en dienden het op 19 oktober 2012 in bij de bevoegde raadkamer indienden. 
De verzoekende partijen dienden een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot nietigverklaring in bij de Raad tegen de beslissingen tot heropsluiting van 17 oktober 2012. Op dat ogenblik hadden de advocaat en de verzoekers moeten weten dat de Raad niet bevoegd is voor dergelijke vordering. Dat de verzoekende partijen noch hun advocaat aanwezig noch vertegenwoordigd waren op de zitting van 22 oktober 2012 duidt erop zij er alleen op uit waren om de vooropgestelde repatriëring van 22 oktober 2012 te verhinderen. 
De kamer van inbeschuldigingstelling van Gent besliste op 2 november 2012 tot de wettigheid van de beslissingen tot heropsluiting van 17 oktober 2012. Daarop werd een nieuwe repatriëring voorzien. Op de dag van geplande repatriëring ontvangt de Raad een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot nietigverklaring, dat identiek is aan het vorige verzoekschrift. Het verzoekschrift is dus weer gericht tegen de beslissingen tot heropsluiting van 17 oktober 2012. Hierover had de bevoegde rechtbank zich al uitgesproken. De Raad verwierp dit beroep wegens manifeste onontvankelijkheid. 
Hier is sprake van ernstig misbruik van procedure. Luttele uren voor een geplande repatriëring stelden verzoekers tot tweemaal toe een identieke vordering in bij de Raad terwijl ze wisten dat de Raad niet de bevoegde instantie is om zich over de rechtmatigheid van de aangevochten maatregel te buigen. Die vorderingen waren dus kennelijk gedoemd te mislukken. Gelet op de houding van de verzoekende partijen is het verantwoord om een geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep aan de verzoekende partijen op te leggen. 
De raadsman van de verzoekende partijen is mee verantwoordelijk voor het misbruik van de procedure. In de huidige stand van de wetgeving is het inderdaad niet mogelijk om een geldboete op te leggen aan de advocaat van de verzoekende partijen. Een geldboete van 125 EUR wordt opgelegd aan de verzoekende partijen, elk voor een derde.