Samenvatting
Voor wat betreft de toepassing van artikel 48/5, § 3 van de Vreemdelingenwet geldt met betrekking tot het intern vestigingsalternatief, een gedeelde bewijslast. De overheid dient immers, wanneer zij oordeelt dat er een intern vestigingsalternatief voorhanden is, rekening te houden met de algemene omstandigheden in het land en met de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen.
Verzoekers minderjarigheid wordt niet betwist. Nog daargelaten de vaststelling dat het administratief dossier geen informatie bevat over verzoekers vermeende regio van herkomst kan, wanneer zoals in casu geoordeeld wordt dat een vestigingsalternatief voorhanden is, van een minderjarige niet worden verwacht dat hij zich elders in het land vestigt zonder dat wordt nagegaan of hij in dat geval wel degelijk familie heeft waar hij kan op terugvallen. De Raad kan op basis van het actuele administratief dossier niet opmaken waar verzoeker in Pakistan familieleden heeft. Gezien de precaire situatie van verzoeker als minderjarige kan de verzoekende partij kan dan ook gevolgd worden waar zij in haar verzoekschrift stelt dat de belangen van het kind de eerste overweging moeten vormen wanneer het Commissariaat-Generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oordeelt dat er een intern vluchtalternatief zou zijn, wat zij in casu niet doet. Bijgevolg besluit de Raad om met toepassing van artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2° van de Vreemdelingenwet de bestreden beslissing te vernietigen.