Samenvatting
Het feit dat verzoeker voor zijn vertrek uit zijn land van gewoonlijk verblijf, zijnde Libanon, de bijstand van de UNRWA genoot, wordt in de bestreden beslissing niet betwist en blijkt uit de stukken van het administratief dossier. Hieruit blijkt dat de uitsluitingsgrond uit het eerste lid van artikel 1, D van het Vluchtelingenverdrag in elk geval op verzoeker van toepassing was. De hamvraag is echter of deze uitsluitingsgrond nog steeds van toepassing is. Uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie blijkt dat in de eerste plaats op basis van een individuele beoordeling moet worden nagegaan of het vertrek van de betrokken persoon uit het mandaatgebied zijn rechtvaardiging vindt in redenen buiten zijn/haar invloed en onafhankelijk van zijn/haar wil, waardoor hij/zij verhinderd wordt de door het UNRWA verleende bijstand te genieten. Dit is het geval indien de asielzoeker zich persoonlijk in een situatie van ernstige onveiligheid bevond en het voor het betrokken orgaan of de betrokken instelling onmogelijk was hem in dat gebied levensomstandigheden te bieden die stroken met de opdracht waarmee dat orgaan of die instelling belast is. Indien deze situatie zich voordoet, dient de betrokkene van rechtswege als vluchteling te worden erkend, tenzij hij/zij om de redenen vermeld in artikel 1, E en 1, F van het Vluchtelingenverdrag dient te worden uitgesloten (HvJ 19 december 2012, C-364/11, El Kott v. Bevándorlási és Államolgársági Hivatal,§ 61, 65, 81).
Na lezing van het administratief dossier besluit de Raad dat verzoeker in casuvoldoende aannemelijk gemaakt heeft dat hij zich op het ogenblik van zijn vertrek uit Libanon in een persoonlijke situatie van ernstige onveiligheid bevond waardoor hij omwille van redenen buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil verhinderd werd om de door het UNRWA verleende bijstand te genieten en die hem ertoe zou hebben aangezet het mandaatgebied van UNRWA te verlaten. Zo stelt de Raad vooreerst vast dat verzoekers functie en activiteiten bij de organisatie Markaz al-Tadamun al-ljitima’i en bij de PFLP op zich niet worden betwist. Evenmin worden zijn verklaringen omtrent zijn deelname aan een 25 dagen durende opleiding van de organisatie DUF in Denemarken eind 2009 in twijfel getrokken. De Raad treedt de beoordeling van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oordeelde dat de schets die verzoeker gaf van de vervolging die hem te beurt viel sterk overdreven overkomt niet bij. Mede gelet op de door verzoeker geciteerde informatie waaruit blijkt dat Usbat al-Ansar westerse doelwitten en al wat met het Westen te maken heeft viseert, acht de Raad het aannemelijk dat het alleen reizen met een meisje waarmee hij niet gehuwd is naar een Westers land dat actief deelnam aan de oorlog in Afghanistan en waarvan een inwoner een cartoon heeft gemaakt van de profeet Mohammed die door een groot deel van de moslims absoluut niet werd aanvaard, elementen zijn die ertoe geleid hebben dat de islamisten verzoeker ervan beschuldigen contacten te hebben gehad met Europese instellingen die een “anti-islam” beleid voeren, dat hij een spion zou zijn van deze instellingen en dat hij de tekenaar van de cartoon zou hebben ontmoet. Het gegeven dat er geen veralgemeend geweld is tussen de PFLP en de islamisten, betekent voorts niet dat er geen gevechten voorkomen tussen individuele leden van de verschillende fracties. Dat verzoeker niet alle details kent van het bemiddelingsproces, is volgens de Raad niet van die aard om zijn geloofwaardigheid aan te tasten. De Raad wijst hierbij op het feit dat verzoeker op het ogenblik van de bemiddeling slechts 18-19 jaar oud was, niet in het kamp maar in Beiroet verbleef en derhalve alle informatie telefonisch diende te bekomen. Tevens stelt de Raad dat verzoekers activiteiten van hem nog geen belangrijk politiek figuur maken en dat van een 18-jarige jeugdverantwoordelijke niet kan worden verwacht dat hij voortdurend contacten onderhoudt met de hogere partijleden die voor hem bemiddelen. Dat de bemiddelingen faalden hoeft evenmin te leiden tot het besluit dat verzoekers relaas ongeloofwaardig zou zijn. Verzoeker wijst er in het verzoekschrift immers terecht op dat elke bemiddelingsprocedure uniek en specifiek is. Bijgevolg besluit de Raad dat de door verzoeker aangehaalde problemen die hem ertoe zouden hebben aangezet het mandaatgebied van UNRWA te verlaten, geloofwaardig moeten worden geacht.
Bovendien is de Raad de mening toegedaan dat de activiteiten van verzoeker sinds zijn vertrek uit Libanon ondernam en die de voorzetting vormen van zijn overtuigingen die hij in zijn land van gewoonlijk verblijf aanhing, problematisch zouden kunnen zijn in geval van terugkeer naar het kamp Ain El-Hilweh. Zo verklaarde verzoeker tijdens zijn gehoren actief te zijn bij de Partij van de Arbeid (Pvda), bij Intal en andere pro-Palestijnse organisaties zoals de vzw Palestina Solidariteit en heeft hij artikels geschreven op de blogs Arab 48, Fasl al maqal en anderen. De Raad treedt verzoeker bij waar hij stelt dat zijn pro-Palestijnse activiteiten waarschijnlijk geen probleem zal vormen voor de islamitische fracties in het kamp, doch het feit dat die activiteiten met Europese “Westerse” en linkse “atheïstische” organisaties werden georganiseerd, wel een probleem kan vormen bij een terugkeer. Verder is verzoeker actief bij de ECCP, waar hij onder andere zorgt voor de contacten met de Europese instellingen. Bovendien blijkt uit de door verzoeker bijgebrachte informatie over de huidige politieke situatie in het kamp Ain El-Hilweh, over de algemene veiligheidssituatie en over de confrontaties tussen de fracties in het kamp dat de PFLP als dusdanig wordt geviseerd door de islamisten, dat de macht van de islamisten steeds groter is geworden in het kamp, dat er hevige confrontaties zijn geweest en dat de vrees bestaat dat er grotere confrontaties zullen komen gezien de aanwezigheid van ISIS in het kamp. Gelet op het geheel van wat voorafgaat wordt de vluchtelingenstatus van verzoeker erkend.