Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 120.077 - 4-03-2014

Samenvatting

De commissaris-generaal heeft terecht nagegaan of verzoeker dient te worden uitgesloten van internationale bescherming omwille van zijn activiteiten voor het LTTE vóór 2009. De Raad kan de commissaris-generaal echter niet volgen in zijn conclusies nu er geen rekening werd gehouden met de vaststelling dat de Sri Lankaanse autoriteiten na langdurige en meervoudige ondervragingen waarvan sommige onder foltering, meenden dat verzoeker in vrijheid kon worden gesteld. Het wordt immer niet betwist dat verzoeker op verschillende locaties en kampen herhaaldelijk is ondervraagd door meerdere afdelingen van de CID. De vaststelling dat de asielzoeker in zijn land van oorsprong niet (gerechtelijk) vervolgd wordt voor activiteiten en daden die het voorwerp uitmaken van zijn asielaanvraag, is wel degelijk relevant.
 
Indien een zeker gewicht dient te worden gehecht aan de vaststelling dat de asielzoeker in zijn land van oorsprong niet gerechtelijk vervolgd wordt voor activiteiten en daden die het voorwerp uitmaken van zijn asielaanvraag, dan is dit slechts een van de elementen van de beoordeling, wat niet noodzakelijk dient te leiden tot eenzelfde conclusie als zijn nationale autoriteiten. Immers dat de asielzoeker door zijn nationale autoriteiten al dan niet werd gesanctioneerd of vrijgesproken voor daden die vallen onder 1F van de Vluchtelingenconventie, kan ingegeven zijn door motieven die verband houden met de criteria van de definitie van vluchteling maar ook om redenen die klemmen met de beoordeling van een asielaanvraag. Ook politieke redenen als redenen van machtswissel, een vorm van amnestie of een beoordeling in het kader van een nationale verzoening, kunnen de veroordeling of vrijspraak door de nationale autoriteiten hebben beïnvloed en kunnen tot wisselende conclusies leiden bij de beoordeling aan nood aan internationale bescherming.
 
De eigenlijke toedracht van verzoekers activiteiten zijn bekend bij de Sri Lankaase autoriteiten. De Sri Lankaanse autoriteiten hebben echter gemeend dat de graad van economische collaboratie van verzoeker onvoldoende was om hem van oorlogsmisdaden te beschuldigen en aan te houden. Uit de verklaringen van verzoeker is vooral gebleken dat de Sri Lankaanse autoriteiten meer geïnteresseerd waren in de informatie die verzoeker zou hebben over eventuele achtergebleven gelden en waarmee desgevallend toekomstige Tamil acties zouden gefinancierd kunnen worden. Er werden dan ook maatregelen genomen in dit verband. Verzoeker werd herhaaldelijk grondig ondervraagd, hij werd streng bewaakt, hij werd uiteindelijk kort heropgevoed, diende bij zijn vrijlating een document te ondertekenen dat hij geen contact zou opnemen met voormalige LTTE leden, hij werd gedurende de eerste zes maanden van zijn vrijlating geregeld ondervraagd over deze gelden en hij kreeg een meldingsplicht.
 
De Sri Lankaanse autoriteiten hebben na grondig onderzoek van verzoekers activiteiten tijdens de burgeroorlog vastgesteld dat verzoeker tot de LTTE leden behoorde die na een korte heropvoeding kon worden vrijgelaten. Hieruit kan worden afgeleid dat de Sri Lankaanse autoriteiten meenden dat verzoeker als financieel verantwoordelijk werknemer van de LTTE voor de verkoop van sterke drank in een deelgebied van Vanni niet kan worden geacht zware (oorlogs)misdaden te hebben gepleegd. In casu is dit relevant nu het redelijk is te veronderstellen dat de Sri Lankaanse autoriteiten een vollediger beeld hebben van de financiële activiteiten van het LTTE dan wat internationaal bekend is en dus ook van verzoekers positie binnen het LTTE bestel. De beslissing van de Sri Lankaanse autoriteiten kan evenmin worden los gezien van de vaststelling die getrokken kan worden uit de informatie toegevoegd aan het administratieve dossier, namelijk dat de Sri Lankaanse autoriteiten zich geenszins clement of laks opstellen naar personen die tijdens de burgeroorlog zware misdrijven hebben begaan of die een determinerende invloed hadden op het oorlogsgebeuren.
 
Indien de commissaris-generaal wijst op het Besluit 2006/379/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 2006 tot uitvoering van artikel 2, lid 3 van Verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, om het LTTE (Liberation Tigers of Tamil Eelam - Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam) formeel in te schrijven op de lijst van terroristische organisatie, dan is dit op zich onvoldoende om elk lid van het LTTE die actief aan deze organisatie heeft meegewerkt uit te sluiten van de vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming. Verzoeker kan in casu in de periode dat hij bij het LTTE was, om de gezamenlijke bovenstaande redenen niet geacht worden een hoge verantwoordelijke positie te hebben ingenomen binnen het LTTE, noch mede verantwoordelijk gesteld worden voor “ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en het internationale recht inzake mensenrechten en dat hierbij in bepaalde gevallen sprake was van oorlogsmisdrijven en misdaden tegen de menselijkheid”. Aldus kan in casu vastgesteld worden dat verzoeker voor zijn activiteiten vóór 2009 niet vervolgd werd door de Sri Lankaase autoriteiten omwille van misdaden zoals bepaald onder artikel 55/2 van de Vreemdelingenwet.