Samenvatting
Verzoeker is erkend als vluchteling omwille van vrees voor vervolging in Somalië om zijn homoseksuele geaardheid op 20 oktober 2010. Verzoeker heeft intussen een aanvraag voor familiehereniging ingediend bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Aldus bleek dat verzoeker intussen gehuwd is met een Somalische vrouw. De CGVS heeft verzoeker daarop gehoord om hem de mogelijkheid te bieden dit toe te lichten.
Indien verzoeker aanvoert dat "de druk van zijn familie, met name van zijn moeder, alsdan beslissend" was, dat er "bezorgdheid in hoofde van verzoeker over de reputatie van zijn familie" was, dat "de afwezigheid van verzoeker het sociale stigma voor de familie niet automatisch heeft weggenomen" en dat het "niet ongewoon [is] dat personen met een homoseksuele geaardheid een heteroseksueel huwelijk aangaan, teneinde zich te conformeren aan de sociale normen", dan blijven dit loutere beweringen die niet vermogen te verklaren waarom verzoeker toentertijd hieraan kon weerstaan tot hij uiteindelijk naar België is gekomen maar thans wel zou zwichten en dit terwijl hij in België bescherming geniet voor familiale en sociale druk in Somalië. Derhalve kan de commissaris-generaal wel degelijk besluiten dat dit verzoekers voorgehouden homoseksualiteit sterk betwijfeld kan worden wat de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas ontkracht, te meer verzoeker weigert hierover toelichting te geven en zelfs verklaart geen vluchtelingenstatus meer te wensen.
Verzoeker tracht zijn houding te verklaren en stelt "Het is duidelijk dat verzoeker overmand was door negatieve emoties die het hem onmogelijk maakten om op een rustige manier te antwoorden op de hem gestelde vragen. Men verlieze niet uit het oog dat verzoeker op dat moment al bijna 2 jaar in gevangenschap verkeerde en door zijn veroordeling tot 12 jaar gevangenschap geen uitzicht heeft op vrijlating op korte termijn. De procedure tot intrekking van zijn vluchtelingenstatus was derhalve bijzonder stresserend voor verzoeker en leidde tot acuut defaitisme en tot wanhoop in hoofde van verzoeker. Er is dus geen sprake van een door verzoeker gewild gebrek aan medewerking. De lagere frustratiedrempel van verzoeker is gedocumenteerd ter gelegenheid van het strafrechtelijk onderzoek tegen hem" en legt een schrijven van Psychiater Dr. N. D. V. van 9 december 2011 voor.
Echter voor iedere vorm van internationale bescherming, zowel voor de status van vluchteling als voor de subsidiaire bescherming, berust de plicht tot medewerking op de verzoekende partij. Deze dient ter staving van haar asielaanvraag zo spoedig mogelijk alle nuttige elementen noodzakelijk voor de beoordeling van haar verzoek in te dienen. Uit het administratief dossier kunnen geen geldige redenen blijken voor verzoekers gebrek aan medewerking. Indien het psychiatrisch rapport van 9 december 2011 vermeldt dat verzoeker "een zekere arrogantie [vertoont] die onder andere leidt tot een vorm van koppigheid en halsstarrigheid" en "mogelijk (momentane) problemen met de zelfbeheersing" heeft dan blijkt eveneens dat "betrokkene in staat kan geacht worden om zijn gedragingen toereikend te plannen en te organiseren. Hij zal dus doorgaans niet impulsief handelen en/of reageren". Hoe dan ook uit een eenvoudige lezing van het gehoorverslag blijkt dat verzoeker continu en doelbewust iedere medewerking weigert. Evenmin heeft verzoeker nadien enige poging ondernomen om zijn gedrag te corrigeren. Indien verzoeker aldus mogelijks gemakkelijk zijn zelfbeheersing verliest, dan kan dit zijn volgehouden en volstrekte onwilligheid om mee te werken, niet verschonen. Een dergelijke houding is niet te verzoenen met een nood aan bescherming. Er kan dan ook slechts vastgesteld worden dat verzoeker initiële beweringen over zijn homoseksuele geaardheid loze en onwaarachtige beweringen waren en hij wel degelijk een (desgevallend gearrangeerd) huwelijk wilde aangaan met een Somalische vrouw. Immers het aangaan van een heteroseksueel huwelijk kan verregaande gevolgen hebben op de emotionele en seksuele identiteit van een homoseksueel en sluit daarbij bij voorbaat ook een huwelijk met een homoseksuele partner uit. Aldus wordt slechts aangetoond dat verzoeker in de toekomst geen vaste relatie (huwelijk) met een homoseksuele partner beoogt.
Verzoeker werd dan ook op 20 oktober 2010 onterecht de vluchtelingenstatus toegekend nu verzoekers huwelijk met een Somalische vrouw, zijn aanvraag tot familiehereniging en zijn verklaringen hierover geen homoseksuele geaardheid aannemelijk kan maken terwijl dit doorslaggevend is geweest voor de erkenning van de vluchtelingenstatus in de zin van artikel 48/3, §4, d) van de Vreemdelingenwet. Verzoekers gebrek aan medewerking en zijn bewering niet langer geïnteresseerd te zijn in zijn vluchtelingenstatus getuigen bovendien van een gedrag dat erop wijst dat hij geen vervolging vreest. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft dan ook terecht de vluchtelingenstatus ingetrokken op grond van 57/6, eerste lid, 7° van de Vreemdelingenwet.