Samenvatting
Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker ter staving van zijn derde asielaanvraag een aantal documenten voorlegt in verband met de moord op zijn broer, dat hij zich tevens beroept op de actuele veiligheidssituatie in zijn regio van herkomst en dat hij bij het indienen van onderhavige asielaanvraag bovendien uitdrukkelijk heeft gewezen op de beperkte toegankelijkheid van zijn herkomstregio, die volgens verzoeker een eventuele terugkeer verhindert.
De Raad dient met verzoeker vast te stellen dat op geen enkele wijze werd onderzocht of verzoeker op een veilige manier kan terugkeren naar zijn woonplaats in zijn land van herkomst en benadrukt dat de bewijslast te dezen berust bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.
In acht genomen wat voorafgaat en mede in aanmerking genomen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de nodige onderzoeksbevoegdheid ontbeert, ontbreekt het de Raad aldus aan essentiële elementen om te komen tot de in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 1° van de vreemdelingenwet bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. Bijgevolg dient de bestreden beslissing overeenkomstig artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2° van de vreemdelingenwet te worden vernietigd.