Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 128.765 - 4-09-2014

Samenvatting

De Raad stelt vast dat verzoeker ter ondersteuning van zijn tweede asielaanvraag onder meer een getuigenis voorlegt van de heer N. J.-D., waarin hij verklaart dat hij een homorechten-activist is en dat hij een liefdesrelatie met verzoeker heeft sinds 15 november 2013. De heer N. J.-D. werd in België erkend als vluchteling wegens zijn homoseksuele geaardheid. Verzoeker brengt tevens een aantal foto’s bij van zichzelf, de heer N. J.-D. en andere personen.
 
Daargelaten de vraag of het eventueel bestaan van een homoseksuele relatie op ontegensprekelijke wijze verzoekers beweerde homoseksuele geaardheid kan aantonen – het hebben van homoseksuele contacten zegt immers niet noodzakelijkerwijze iets over verzoekers geaardheid – is de Raad van oordeel dat, gelet op het delicate karakter van het dossier, het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het kader van haar zorgvuldigheidsplicht verzoeker minstens de kans had moeten geven om zijn huidige relatie en de door hem neergelegde documenten in dit verband toe te lichten. De Raad benadrukt in dit verband dat artikel 57/6/2 van de vreemdelingenwet slechts een prima facie beoordeling van de bewijskracht van de aangebrachte nieuwe elementen toelaat. De Raad is van oordeel dat in casu een dergelijke prima facie beoordeling niet kan leiden tot het besluit dat verzoeker geen nieuwe elementen aanbrengt die de kans aanzienlijk groter maken dat hij voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van dezelfde wet in aanmerking komt en dat verder onderzoek noodzakelijk is.