Samenvatting
De Raad stelt vast dat in het administratief dossier zich het vonnis bevindt van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 29 juni 2010 waarbij verzoekster als staatloze werd erkend. Verzoekster wijst er terecht op dat dit vonnis definitief en erga omnes werkt. De gemachtigde was derhalve op de hoogte van het feit dat verzoekster een erkende staatloze is. Voorts bevindt zich in het administratief dossier het attest van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 1 juli 2011 waarbij wordt bevestigd dat verzoekster de hoedanigheid van een erkende staatloze heeft. Dit gegeven wordt overigens ook niet betwist noch weerlegd door de verwerende partij.
Niettemin wordt in het bestreden bevel gesteld dat verzoekster “onderdaan van Rusland” is, terwijl uit het administratief dossier duidelijk blijkt dat dit feitelijk onjuist is. Aangezien verzoekster een erkende staatloze is, snijdt het betoog van verzoekster dat zij geen reisdocumenten bezit of kan verkrijgen van de bevoegde ambassades van de landen van herkomst hout. De Raad stelt overigens vast dat verzoekster geen verblijfsrecht heeft in België, zodat zij ook niet in aanmerking komt voor de afgifte van een reisdocument voor niet-Belgen, op basis van artikel 13 van de zgn. Paspoortwet en de Omzendbrief van 26 september 2013 met betrekking tot de uitgifte van reisdocumenten voor niet-Belgen. De verwijzing naar artikel 7, eerste lid, 1°, van de vreemdelingenwet en de bijhorende motivering in feite mist in casu dan ook feitelijke grond.
Voorts merkt de Raad dat in de tweede bestreden beslissing, het inreisverbod van 6 juni 2014, eveneens verkeerdelijk de Russische nationaliteit aan verzoekster wordt toegedicht, hoewel zij een erkende staatloze is.
Overeenkomstig artikel 74/11, § 1 van de vreemdelingwet moet de duur van het inreisverbod worden vastgesteld “door rekening te houden met de specifieke omstandigheden van elk geval” (RvS 26 juni 2014, nr. 227.900; RvS 26 juni 2014, nr. 227.898).
Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 januari 2012 tot wijziging van de vreemdelingenwet, blijkt dat artikel 74/11 van de vreemdelingenwet een omzetting vormt van artikel 11 van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Pb.L. 24 december 2008, afl. 348, 98 e.v.). In die zin wordt in de parlementaire voorbereiding m.b.t. artikel 74/11 van de vreemdelingenwet en het inreisverbod het volgende benadrukt: “De richtlijn legt echter op dat men tot een individueel onderzoek overgaat (overweging 6), dat men rekening houdt met “alle omstandigheden eigen aan het geval” en dat men het evenredigheidsbeginsel respecteert.” (Parl.St. Kamer, 2011-2012, nr. 53K1825/001, 23).
Door aan verzoekster verkeerdelijk de Russische nationaliteit toe te dichten, blijkt derhalve dat de gemachtigde geen rekening heeft gehouden met haar erkende staatloosheid bij het bepalen van de duur van het inreisverbod. Het gegeven dat in het bestreden inreisverbod uitdrukkelijk wordt gemotiveerd waarom wordt geopteerd voor de duur van 8 jaar, doet geen afbreuk aan deze vaststelling, omdat blijkt dat de gemachtigde verkeerdelijk is uitgegaan van het bezit van een Russische nationaliteit en bijgevolg geen rekening heeft gehouden met de specifieke omstandigheid van de erkende staatloosheid van verzoekster noch deze erkende staatloosheid heeft meegenomen in enige evenredigheidstoets.
De Raad merkt op dat op basis van artikel 7, eerste lid, 3° van de vreemdelingenwet de gemachtigde een bevel om het grondgebied te verlaten “kan” geven indien de vreemdeling door zijn gedrag wordt geacht de openbare orde te kunnen schaden. Een strafrechtelijke veroordeling kan in die zin enkel worden weerhouden voor zover uit de omstandigheden die tot deze veroordeling hebben geleid, het bestaan van een gedrag blijkt dat wordt geacht de openbare orde te kunnen schaden. De gemachtigde zet zulke omstandigheden niet uiteen maar verwijst louter naar het feit dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Hij concretiseert niet waarom uit deze veroordeling blijkt dat verzoekster door haar gedrag wordt geacht de openbare orde te kunnen schaden. De Raad merkt verder op dat in het administratief dossier zich geen vonnissen bevinden met betrekking tot de strafrechtelijke veroordeling van verzoekster omwille diefstal. Uit het administratief dossier blijkt aldus niet dat de gemachtigde, voor wat betreft de eerste bestreden beslissing, de concrete omstandigheden die tot de strafrechtelijke veroordeling omwille van diefstal hebben geleid, heeft beoordeeld om daaruit te besluiten dat verzoekster door haar gedrag wordt geacht de openbare orde te kunnen schaden.