Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 134.880 - 10-12-2014

Samenvatting

In casu gaat de Raad na of de gemachtigde de algemene situatie met betrekking tot de opvang-omstandigheden in Italië voor asielzoekers heeft onderzocht in het licht van de specifieke situatie van verzoekers, met name hun individuele omstandigheden, in het bijzonder in het licht van hun minder-jarige dochter. De Raad heeft hierbij bijzonder oog voor de bevindingen van het EHRM in de zaak Tarakhel.
 
In de zaak Tarakhel oordeelde het EHRM dat hoewel de opvangomstandigheden voor asielzoekers in Italië niet vergelijkbaar zijn met de schrijnende opvangomstandigheden in Griekenland en dus niet voldoende ernstig zijn om alle overdrachten naar Italië te schorsen, er op basis van de beschikbare informatie ernstige twijfels zijn over de huidige capaciteit van het Italiaanse opvangsysteem. De mogelijkheid dat een betekenisvol aantal asielzoekers, bij overdracht aan Italië, zonder opvang komt te staan of wordt opgevangen in overbevolkte voorzieningen zonder enige privacy of zelfs in ongezonde of gewelddadige omstandigheden, kan volgens het Hof niet zomaar worden afgewezen als ongegrond (EHRM 4 november 2014, nr. 29217/12, Tarakhel v. Zwitserland, par. 115 en 120).
 
Het EHRM baseert zich voor deze stelling op de eerder vermelde UNHCR aanbevelingen van juli 2013 en het rapport van de Commissaris van de Mensenrechten van de Raad van Europa van 18 september 2012 alsook in zeer belangrijke mate op het rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe/OSAR van oktober 2013. Het EHRM stipt aan dat er slechts 8000 opvangplaatsen beschikbaar zijn in de CARA-centra met wachtlijsten die zo lang zijn dat de meerderheid van asielzoekers geen realistisch vooruitzicht heeft op toegang tot opvang. Met betrekking tot SPRAR-opvangplaatsen, stelt het Hof vast dat er 4800 plaatsen beschikbaar zijn en 5000 personen op een wachtlijst staan. Zo zijn er in Rome 1300 plaatsen in het SPRAR met een wachtlijst van 1000 personen. In Milaan zijn er slechts 400 plaatsen en zouden gezinnen systematisch worden opgesplitst. Hoewel in september 2013 werd beslist om de capaciteit van het SPRAR-netwerk uit te breiden tot 16.000 plaatsen, stelt het EHRM op 4 november 2014 vast dat enkel 1.230 plaatsen werden gecreëerd waardoor het totaal aan SPRAR opvangplaatsen op 9.630 komt. Tenslotte stelt het Hof vast dat er een grote discrepantie bestaat tussen het aantal asielaanvragen ingediend in 2013, dat op 15 juni 2013 een totaal van 14.184 asielaanvragen betrof, en het aantal opvangplaatsen in het SPRAR netwerk, met name 9.360 plaatsen. Zelfs in combinatie met de CARA opvangplaatsen zou de Italiaanse overheid, gezien het aantal asielaanvragen in 2013 en de bestaande wachtlijsten, niet in staat zijn om het grootste deel van de vraag om opvang, laat staan de gehele vraag om opvang, te absorberen (EHRM 4 november 2014, nr. 29217/12, Tarakhel v. Zwitserland, par. 108-110 en 115).
 
In het kader van deze algemene problematiek van opvangcapaciteit, oordeelde het EHRM dat een aantal concrete waarborgen moet worden verkregen over de opvang van minderjarige asielzoekende kinderen, ongeacht of zij begeleid worden door hun ouders.
 
Het EHRM stelt dat het aan de Zwitserse overheden toekomt om de nodige waarborgen van de Italiaanse overheden te verkrijgen dat bij aankomst in Italië, ten eerste, het betrokken gezin zal worden opgevangen in voorzieningen en omstandigheden aangepast aan de leeftijd van de kinderen, en dat, ten tweede, de familie bijeen zal kunnen blijven. Hoewel de Italiaanse overheid te kennen geeft dat gezinnen met kinderen als een bijzonder kwetsbare categorie worden beschouwd en normaal worden opgevangen in het SPRAR-netwerk, met waarborgen van opvang, voedsel, gezondheidszorg e.a., stelt het Hof vast dat er geen verdere details worden gegeven over de specifieke omstandigheden waarin de verzoekers zullen worden opgevangen.
In afwezigheid van specifieke en betrouwbare informatie met betrekking tot de specifieke opvang-voorziening, de materiële opvangomstandigheden en het behoud van de eenheid van het gezin, meent het Hof dat de Zwitserse overheden niet over voldoende waarborgen beschikken dat de verzoekers, bij overdracht naar Italië, zullen worden opgevangen op een wijze aangepast aan de leeftijd van de kinderen. Een overdracht zonder eerst deze individuele waarborgen te hebben ontvangen van de Italiaanse overheden, zou een schending betreffen van artikel 3 EVRM (EHRM 4 november 2014, nr. 29217/12, Tarakhel v. Zwitserland, par. 120-122).
 
De Raad kan in casu enkel vaststellen dat de gemachtigde louter op zeer algemene wijze de opvang-mogelijkheden in Italië heeft beoordeeld, waarna hij besluit dat in “de meeste gevallen” opvang kan worden gevonden in een CARA-centrum. Ook in haar nota beperkt de verwerende partij zich tot zeer algemene stellingen.
 
De Raad wijst op het herhaaldelijk en zeer voorwaardelijk woordgebruik in het NOAS-rapport van 2011 (“supposed to” en “usually”) en op het feit dat in 2011 reeds door NOAS werd aangestipt dat de grote toestroom aan asielzoekers uitdagingen geeft met betrekking tot de opvangcapaciteit. Het is juist deze opvangcapaciteit die het EHRM in de zaak Tarakhel op basis van recente landeninformatie ernstig in twijfel trekt. Daardoor besluit het Hof dat de mogelijkheid dat een betekenisvol aantal asielzoekers, bij overdracht aan Italië, zonder opvang komt te staan of wordt opgevangen in overbevolkte voorzieningen zonder enige privacy of zelfs in ongezonde of gewelddadige omstandigheden, niet ongegrond is.
 
Verder blijkt niet dat de gemachtigde concreet oog heeft gehad voor het belang van het aanwezige minderjarige kind. De dubbele kwetsbaarheid van de dochter, als asielzoekster en als kind, en haar specifieke noden blijken geen essentiële overweging, minstens een overweging, te hebben gevormd in de besluitvorming. Zodoende is niet concreet nagegaan of verzoekers zullen worden opgevangen in voorzieningen en omstandigheden aangepast aan de leeftijd van hun minderjarige dochter en of het betrokken gezin bijeen zal kunnen blijven.
 
Hoewel de gemachtigde in de bestreden beslissingen stelt dat de Italiaanse autoriteiten minstens zeven dagen vooraf in kennis zullen worden gesteld van de overdracht van verzoekers zodat –indien nodig – aangepaste opvang kan worden voorzien, stelt de Raad vast dat er hierdoor niet voldoende wordt gegarandeerd dat er een opvang wordt voorzien die aangepast is aan de leeftijd van de minderjarige dochter en waarbij het behoud van de eenheid van het gezin van verzoekers wordt verzekerd. Er worden geen details gegeven over de specifieke omstandigheden waarin verzoekers zullen worden opgevangen die verzoekers heden op nuttige wijze kunnen aanvechten.
 
Daarbij moet worden aangestipt dat de bestreden beslissingen werden genomen naar aanleiding van een stilzwijgend akkoord met de Italiaanse overheden inzake de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvragen van verzoekers. De gemachtigde heeft derhalve heden geen enkele uitdrukkelijke waarborg omtrent de specifieke opvangvoorzieningen voor verzoekers, de materiële opvangomstandigheden en het behoud van de eenheid van het gezin in het licht van de specifieke noden en de kwetsbaarheid van verzoekers’ minderjarige asielzoekende dochter.