Samenvatting
In casu wordt niet betwist dat de bestreden beslissing een wettelijke basis kent en een legitiem doel nastreeft. Tevens werd rekening gehouden met de aard en ernst van de strafrechtelijke inbreuken.
De staatssecretaris gaat evenwel geheel voorbij aan het gegeven dat het vaststellen van een zeer ernstige bedreiging voor de openbare orde niet volstaat, maar dat tevens moet worden nagegaan of de bescherming van de openbare orde, in casu uitgedrukt door de terugwijzing van de verzoekende partij en een inreisverbod van tien jaar, in verhouding staat met de concrete individuele belangen van de verzoekende partij en haar gezin. Er dient dus een correcte en concrete billijke afweging te worden gemaakt tussen de individuele en concrete omstandigheden van de verzoekende partij en haar gezin enerzijds, en het algemeen belang anderzijds (de zgn. proportionaliteitstoets). Zoals hierboven reeds vermeld, heeft het EHRM criteria geformuleerd die nationale overheden dienen te leiden in het beoordelen van zulke zaken. De verzoekende partij verwijst in haar verzoekschrift naar de voormelde Boultif-criteria en toetst deze uitgebreid aan haar concrete situatie en die van haar gezin.
In deze zaak blijkt echter enkel een concrete afweging van het algemeen belang van de Belgische staat, doordat concreet wordt verwezen naar de gepleegde feiten, het tijdstip waarop deze gepleegd werden, de opgelegde straffen en een beoordeling van het persoonlijk gedrag van de verzoekende partij, waardoor zij beschouwd wordt een ernstige aanslag op de openbare orde te hebben gepleegd en haar aanwezigheid in het land beschouwd wordt een ernstige, reële en actuele bedreiging te vormen die een fundamenteel belang van de Belgische maatschappij aantast en als gevaarlijk beschouwd wordt.
Daarentegen kan noch uit de bestreden beslissing noch uit het administratief dossier worden afgeleid dat er voor de verzoekende partij eveneens een concrete afweging van haar individuele belangen en omstandigheden, zoals vereist door artikel 8 van het EVRM, heeft plaatsgevonden. Daarbij moet worden opgemerkt dat de verzoekende partij in het verzoekschrift haar concrete en individuele omstandigheden en die van haar gezin nader uiteenzet en dat het administratief dossier eveneens concrete elementen bevat over omstandigheden van de verzoekende partij en de gezinsrelatie tussen haar en haar Belgische echtgenote en kinderen.
De verwerende partij houdt in haar nota met opmerkingen voor dat bij het nemen van de bestreden beslissing werd gehandeld na grondig onderzoek van de elementen die de concrete situatie van de verzoekende partij daadwerkelijk kenmerken en conform de ter zake toepasselijke rechtsregels, het artikel 8 van het EVRM incluis. Uit de bestreden beslissing blijkt evenwel dat de staatssecretaris zich beperkte tot het algemene besluit dat de zeer ernstige bedreiging voor de openbare orde die uit het gedrag van betrokkene voortvloeit zodanig is dat zijn “familie en persoonlijk belangen (en die van de zijnen)” in onderhavig geval geen voorrang mogen hebben op het vrijwaren van de openbare orde, zonder daarbij in concreto de individuele belangen van de verzoekende partij, haar echtgenote en haar kinderen af te wegen. In dit verband benadrukt de Raad dat, ondanks het feit dat in voormeld besluit uitdrukkelijk verwezen wordt naar de “familie en persoonlijk belangen” van “de zijnen”, geenszins blijkt waarom de familiale en persoonlijke belangen van “de zijnen” geen voorrang mogen hebben op het vrijwaren van de openbare orde. Waar met betrekking tot de verzoekende partij zelf nog gesteld wordt dat “hieruit” kan afgeleid worden dat zij haar criminele activiteiten belangrijker acht dan haar gezinsleven, wordt met betrekking tot de gezinsleden slechts gesteld dat zij de Belgische nationaliteit hebben, regelmatig (quasi wekelijks) op bezoek komen in de gevangenis en dat de Commissie van Advies voor Vreemdelingen van oordeel is dat, gelet op de sterke familiale banden, de verwijdering van de verzoekende partij uit het land zich niet opdringt. Vervolgens wordt echter louter ingegaan op het gedrag van de verzoekende partij zelf, om ten slotte tot voormeld algemeen besluit te komen.
Dit algemene besluit dat de zeer ernstige bedreiging voor de openbare orde die uit het gedrag van betrokkene voortvloeit zodanig is dat zijn “familie en persoonlijk belangen (en die van de zijnen)” in onderhavig geval geen voorrang mogen hebben op het vrijwaren van de openbare orde, voldoet geenszins in het licht van de concrete belangenafweging die onder artikel 8 van het EVRM wordt vereist. Gezien de vastgestelde eenzijdigheid is van een concrete en dus correcte billijke belangenafweging in deze zaak geen sprake en wordt een schending van artikel 8 van het EVRM bijgevolg aannemelijk gemaakt.