Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 135.155 - 17-12-2014

Samenvatting

Verzoekster betoogt dat haar zoon kapitaalkrachtig is, dat hij toen zij een visum type C aanvroeg een verbintenis tot tenlasteneming ondertekende en dat hij haar sedert haar binnenkomst in het Rijk onderhoudt. Zij toont hiermee evenwel niet aan dat verweerder verkeerdelijk besloot dat niet blijkt dat zij in haar land van herkomst ten laste van haar zoon is. Wat betreft haar betoog dat zij sedert 2011 in Senegal regelmatig geldbedragen van haar zoon ontving moet verder worden geduid dat het loutere feit dat geldsommen worden gestort niet automatisch impliceert dat de ontvanger van deze geldsommen deze nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien en er sprake is van een echte structurele afhankelijkheid. Een vreemdeling die over een eigen vermogen of eigen inkomsten beschikt en daarnaast bijkomend schenkingen ontvangt is immers niet noodzakelijk ten laste van de schenker.
 
Verweerder heeft ook geenszins gevraagd dat verzoekster zou bewijzen dat zij in theorie in staat zou zijn om in haar onderhoud te voorzien, maar heeft gevraagd dat zij in concreto aantoont dat zij geen roerende of onroerende goederen bezit en dus louter afhankelijk is van de materiële ondersteuning door haar zoon, waarbij het haar vrij staat om dit bewijs te leveren met elk passend bewijskrachtig stuk. Het gegeven dat de Senegalese autoriteiten geen attest zouden willen afleveren waaruit kan worden afgeleid welke goederen of welk vermogen verzoekster heeft sluit niet uit dat zij andere bewijsstukken, zoals documenten afkomstig van de fiscus, overmaakt waaruit kan worden afgeleid of zij wel of niet over eigen inkomsten of roerende of onroerende goederen beschikt.
 
De Raad wijst erop dat de richtlijn 2004/38/EG werd omgezet in de Belgische rechtsorde door de wet van 25 april 2007 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Na de omzetting van een richtlijn kunnen particulieren slechts op dienstige wijze een beroep doen op de bepalingen van de richtlijn indien de nationale omzettingsmaatregelen niet correct of toereikend zijn (HvJ 4 december 1997, C-253/96 tot en met C-258/96, Kampelmann, punt 42; zie tevens HvJ 3 december 1992, C-140/91, C- 141/91, C-278/91 en C-279/91, Suffritti, punt 13; RvS 2 april 2003, nr. 117.877). Verzoekster toont dit echter niet aan. Hierbij moet worden benadrukt dat het begrip familielid in artikel 7, tweede lid van de richtlijn 2004/38/EG wordt gedefinieerd in artikel 2, tweede lid, d. van deze richtlijn, waarin duidelijk is aangegeven dat rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn als familielid in de zin van de richtlijn worden beschouwd voor zover zij ten laste zijn van de burger van de Unie die zij willen vervoegen of begeleiden. Verzoekster kan dan ook niet voorhouden dat verweerder de voorwaarde dat zij dient aan te tonen dat zij ten laste is van haar in België verblijvende zoon niet mag stellen. Bij de bespreking van het voorgaande middel is voorts reeds gebleken dat de interpretatie die verweerder heeft gegeven aan het begrip ten laste niet in strijd is met de interpretatie die aan dit begrip wordt gegeven in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. In het artikel 10, 2., d. van de richtlijn 2004/38/EG is ook duidelijk voorzien dat het bestuur “in de in artikel 2, lid 2, onder c) en d) bedoelde gevallen” stukken mag vragen “ter staving dat aan de in deze bepalingen bedoelde voorwaarden is voldaan”. Verweerder kan bijgevolg vereisen dat verzoekster aantoont dat zij in haar land van herkomst structureel afhankelijk is van haar zoon.
 
Wat betreft de aangevoerde schending van artikel 8 van het EVRM moet worden gesteld dat verzoekster zich weliswaar beroept op een gezinsleven met haar zoon, doch niet zonder meer kan worden aangenomen dat er sprake is van enig gezinsleven in de zin van voormelde verdragsbepaling.
Om tot het bestaan van een gezinsleven te kunnen besluiten dient vooreerst het bestaan van een familiale band van bloed- of aanverwantschap te worden nagegaan en vervolgens wordt vereist dat die familiale band voldoende “hecht” is (J. VANDE LANOTTE en G. GOEDERTIER, Overzicht publiek recht, Brugge, die Keure, 2001, 404, randnr. 653). Uit de aan de Raad voorgelegde stukken blijkt dat verzoekster gedurende jaren niet samenwoonde met haar zoon en dat zij bij haar visumaanvraag niet aangaf haar zoon in België te willen vervoegen. Het feit dat haar zoon haar onderdak verschaft tijdens haar verblijf in het Rijk laat daarnaast niet automatisch toe te besluiten dat er een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven bestaat.
 
Ten overvloede kan worden geduid dat zelfs indien zou dienen te worden verondersteld dat verzoekster effectief een gezinsleven heeft met haar in België verblijvende zoon en er effectief sprake is van een inmenging in dit gezinsleven, er nog moet worden vastgesteld dat er voor deze inmenging een wettelijke basis bestaat en dat een van de doelstellingen die zijn voorzien in artikel 8, tweede lid van het EVRM wordt nagestreefd. Het kan immers niet worden ontkend dat een correcte toepassing van de verblijfsreglementering vereist is ter bescherming van de openbare orde. Indien verzoekster in haar land van herkomst inderdaad structureel afhankelijk is van haar in België verblijvende zoon dan komt het haar toe om dit, zoals iedereen in haar situatie, aan te tonen. Het feit dat verzoekster op dit punt in gebreke blijft laat slechts toe te besluiten dat zij nalatig is bij het onderbouwen van haar verblijfsaanvraag of dat zij niet aan de door de wetgever gestelde voorwaarden voldoet en leidt niet tot de conclusie dat verweerders beslissingen disproportioneel zijn ten aanzien van het nagestreefde doel. De Raad benadrukt in dit verband dat de bestreden beslissingen niet tot gevolg hebben dat aan verzoekster enig bestaand verblijfsrecht wordt ontnomen.
 
Artikel 52, § 4, vijfde lid van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 voorziet dat verweerder middels een “bijlage 20” aan een vreemdeling kennis kan geven van een beslissing om een verblijfsaanvraag af te wijzen en de beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten. Deze bepaling laat evenwel niet toe vast te stellen welke de precieze juridische basis van de beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten in casu is. Op verweerder rust, gelet op artikel 8 van de Vreemdelingenwet, nochtans de verplichting om bij de beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten expliciet te duiden welke bepaling van artikel 7 van dezelfde wet werd toegepast. De door verzoeker aangevoerde rechtspraak vermag geen afbreuk te doen aan voormelde door de wetgever gestelde duidelijke vereiste. Aangezien de wetgever duidelijk heeft aangegeven dat de precieze bepaling van artikel 7 van de Vreemdelingenwet die wordt toegepast moet worden weergeven kan verweerder ook niet worden gevolgd waar hij opwerpt dat het volstaat dat de juridische grondslag van het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten “impliciet” blijkt uit de feitelijke motivering. Er moet daarenboven worden gesteld dat in de feitelijke motivering van het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten geen tekstonderdeel van artikel 7 van de Vreemdelingenwet kan worden gelezen, zodat geenszins kan worden uitgemaakt welke precieze bepaling van voormeld wetsartikel werd toegepast. Doordat de wettelijke basis van het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten niet wordt verduidelijkt blijkt ook geenszins dat op verweerder in casu enige verplichting zou rusten om een dergelijke beslissing te nemen en is zijn betoog omtrent de gevallen waar hij verplicht is om over te gaan tot de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten niet dienstig. Het gegeven dat op verweerder, ingevolge artikel 7 van de Vreemdelingenwet, enige verplichting zou rusten om over te gaan tot de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten stelt hem bovendien niet vrij van de verplichting om andere wetsbepalingen na te leven.
 
Verzoeker kan dan ook worden gevolgd waar hij stelt dat de motivering van de beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten niet afdoende is en verweerder, door na te laten om de precieze wettelijke basis van het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten weer te geven, de formele motiveringsplicht, zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, heeft geschonden.