Samenvatting
Verzoekster heeft zich sinds 2007 gevestigd in India tot haar vertrek naar België. In casu kan dan ook gesteld worden dat, in zoverre verzoekster volhoudt dat ze thans omwille van haar echtgenoot in China mogelijk vervolging vreest, dan is gelet op artikel 48/5, §4 van de Vreemdelingenwet, India het eerste land van asiel.
Immers verzoekster had bescherming in India waar zij ongemoeid en veilig heeft verbleven en kon werken. Verzoekende partij betwist dit en meent dat India in de praktijk geen beleid heeft ontwikkeld overeenkomstig de Vluchtelingenconventie noch dat een reële bescherming geboden wordt aan Tibetanen in de zin van artikel 48/5, §4 van de Vreemdelingenwet. Verzoeksters verweer is dan ook in essentie gericht tegen haar verblijfsstatus in en terugkeermogelijkheden naar India. Verzoekster kan echter op dit punt niet weten te overtuigen. Immers voor zover zij niet naar China wil terugkeren, heeft verzoekster een legaal verblijf in India en kan zij ook naar dit land terugkeren.
Wat India betreft stelt de “COI Focus” “CHINA INDIA” “De Tibetaanse gemeenschap in India”, dat dankzij verscheidene regularisatiecampagnes er uiteindelijk nog weinig Tibetanen overgebleven zijn die niet over een Registration Certificate (RC) beschikken en “In de praktijk zal momenteel dus geen enkele Tibetaan, die zich aan de RC-regels houdt, het risico lopen dat zijn verblijfsrecht geweigerd wordt”. Uit deze landeninformatie bij het administratief dossier blijkt tevens dat de Indiase overheid hiertoe nauwsamenwerkte met de Tibetaanse overheid in ballingschap (CTA) en daarbij herhaaldelijke inspanningen leverde om ook de Tibetanen in afgelegen dorpen te bereiken via lokale kranten en publicaties. Ook al beslist elk land soeverein over zijn migratie en is dit beleid niet in de wet verankerd, dan werd in India het beleid vastgelegd in officiële en voor heel India geldende en concreet opgevolgde instructies (“Information Pertaining Tibetan Nationals”).
Verzoekende partij kan aldus niet ernstig beweren dat het verblijf van de Tibetaanse gemeenschap in India slechts tijdelijk en niet doeltreffend genoeg is. Uit de vaststelling dat Registration Certificates (hierna: RC) een beperkte geldigheidsduur hebben en op de vervaldatum moeten verlengd worden, kan niet besloten worden dat het verblijfsrecht van de Tibetanen tijdelijk en onzeker is. Het is belangrijk vast te stellen dat zowel de Indiase autoriteiten als de vertegenwoordiging van de Dalai Lama zelf onafhankelijk van elkaar bevestigen dat de algemene instructies (Information Pertaining Tibetan Nationals) correct worden toegepast, dat de Tibetanen ze effectief opvolgen en dat de vernieuwing van de RC's van de "long term staying Tibetans" in de praktijk "gemakkelijk" verloopt. Ook de New Tibetan Arrivals die met een Special Entry Permit (SEP)-pilgrimage of een SEP-education in India zijn binnengekomen, krijgen volgens zowel de SP (Politie) van Kangra als de Tibetaanse overheid, na de beëindiging van de studies of de pelgrimstocht doorgaans ook zonder enig probleem een “Long Term Stay RC". Dit blijkt ook uit verzoeksters verklaringen nu zij sinds 2007 zonder problemen in India verbleef, geen problemen verklaarde inzake haar verlenging en zelfs een IC kon bekomen op basis van haar RC waardoor haar verblijf in India minstens tot 2022 wordt gegarandeerd.
Voorts kan blijken uit de informatie toegevoegd aan het administratief dossier dat de Dalai Lama zich met de Tibetaanse overheid en honderdduizenden volgers al sedert midden vorige eeuw gevestigd heeft in India. Ook al dienden de verblijfsvergunningen telkens verlengd te worden, dan nog kan verzoekster niet gevolgd worden waar zij beweert dat het verblijf in India niet permanent is. Verzoekster toont evenmin aan waarom er thans na meer dan 60 jaar veranderingen te verwachten zijn in het Indiase beleid ten opzichte van de Tibetanen. In tegendeel er kan vastgesteld worden dat in India de RC steeds gemakkelijker wordt uitgereikt en niet langer aan voorwaarden (werk, pelgrimstocht, studies) is gebonden en verzoekster zelf een IC heeft die geldig is tot 2022.
Verzoeksters argumenten inzake de gevaren van refoulement zijn evenmin gegrond. Uit de “COI Focus” “CHINA/INDIA” “De Tibetaanse gemeenschap in India”, blijkt dat de Indiase Supreme Court het beginsel van non-refoulement zowel als “gebruikelijk internationaal rechtsprincipe” heeft erkend als heeft begrepen onder het grondwettelijke principe “Recht op Leven”. Indien India geen partij is bij het Vluchtelingenverdrag, dan stelt de Raad evenwel vast dat het non-refoulementprincipe de hoogste jurisprudentiële en grondwettelijke erkenning geniet.
De facto kan uit de “COI Focus” “CHINA/INDIA/TIBET” “Non-refoulement in India volgens een rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe” aangebrachte informatie en analyse blijken dat Tibetanen geen risico lopen overgeleverd te worden aan de Chinese autoriteiten. Indien niet uitgesloten is dat een bepaalde persoon geconfronteerd werd met bedreigingen tot uitzetting en afpersingen, dan is een dergelijke drukkings- of afschrikkingsmiddel weliswaar verwerpelijk, doch hieruit kan alsnog niet concreet en gedocumenteerd blijken dat deze of andere bepaalde Tibetanen de facto aan de Chinese autoriteiten werden overgedragen. Ten slotte kan nog worden toegevoegd dat het redelijk voorkomt te veronderstellen dat indien refoulement een gangbare praktijk was, dit na meer dan een halve eeuw genoegzaam bekend zou zijn. Dit is niet het geval en verzoekster toont dan ook het werkelijkheidsgehalte niet aan van een vrees voor refoulement.