Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 140.962 - 13-03-2015

Samenvatting

Verzoeker voert aan dat, hoewel hij niet betwist dat hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar wegens verkrachting, er geen proportionaliteitafweging werd doorgevoerd en dat uit de beslissing niet blijkt dat de verwerende partij een nauwkeurig een individueel onderzoek heeft gedaan met betrekking tot verzoekers situatie. Hij verwijst naar de parlementaire voorbereiding van artikel 55/4 van de vreemdelingenwet volgens hetwelk het feit dat de veroordeling reeds werd ondergaan rekening moet worden gehouden.
Verzoeker wijst erop dat hij sedert 1992 in België verblijft en dat de feiten die tot de veroordeling hebben geleid zich afspeelden in 2002. Er werd niet nagegaan of verzoeker actueel nog een reëel gevaar vormt voor de openbare orde. Verzoeker wijst erop dat hij zijn straf heeft uitgezeten en dat bij vrijlating hij zelfs gewaarschuwd werd zich thans onberispelijk te gedragen, zoniet zou hij terug gewezen worden uit het Rijk.
 
Waar de verwerende partij uit een niet nader gespecifeerd arrest van de Raad citeert en daarbij betoogt dat een proportionaliteitsafweging niet vereist is, dient er op gewezen dat het Belgische rechtsstelsel geen bindende precedentenwerking kent en dat uit verweerders betoog geenszins blijkt dat de feiten die aan de basis van het –niet genoemde- arrest lagen gelijk waren aan de huidige zaak. Verzoeker wijst er terecht op dat de bestreden beslissing toepassing maakt van de uitsluitingsgrond wegens het plegen van een ernstig misdrijf, zoals voorzien in artikel 55/4, c, van de vreemdelingenwet. Uit de memorie van toelichting blijkt met betrekking tot het begrip “ernstig misdrijf” in deze bepaling “dat de bewoordingen van artikel 17 van richtlijn 2004/83/ EG van 29/4/2004 werden overgenomen, die niet noodzakelijk aansluiten bij het Belgisch strafrechtelijk classificatiesysteem. Verder kan voor de invulling van het begrip «ernstig misdrijf» mutatis mutandis verwezen worden naar de punten 155 tot 158 van de «Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié au regard de la Convention de 1951 et du Protocole de 1967 relatifs au statut de réfugiés», uitgegeven door de UNHCR (Genève, 1979, herwerkt in januari 1992, niet beschikbaar in het Nederlands):
“(…) 156. Aux fins de cette clause d’exclusion, il est également nécessaire de peser le pour et le contre, de tenir compte à la fois de la nature de l’infraction que le demandeur du statut de réfugié est présumé avoir commise et du degré de la persécution qu’il redoute. Si une personne craint avec raison des très graves persécutions, par exemple des persécutions qui mettent en danger sa vie ou sa liberté, le crime en question doit être très grave pour que la clause d’exclusion lui soit applicable.(…)
157. Pour évaluer la nature du crime qui est présumé avoir été commis, il faut tenir compte de tous les facteurs pertinents, y compris les circonstances atténuantes éventuelles. Il faut également tenir compte de toutes circonstances aggravantes, telles que, par exemple, le fait que l’intéressé a déjà des condamnations inscrites à son casier judiciaire. Le fait que l’individu condamné pour un crime grave de droit commun a déjà purgé sa peine ou a été gracié ou encore a bénéficié d’une amnistie doit également entrer en ligne de compte. En pareil cas, la clause d’exclusion n’est plus censée s’appliquer, à moins qu’il ne puisse être démontré qu’en dépit de la grâce ou de l’amnistie les antécédents criminels du demandeur l’emportent sur les autres considérations.(…) » (Parl. St. Kamer 2005-06, nr. 2478/001, p. 109 – 110)”
Samengevat blijkt hieruit dat bij toepassing van deze uitsluitingsclausule de pro en contra worden afgewogen, rekening houdend met de aard van de inbreuk in verhouding tot de door de betrokkene aangevraagde bescherming. Daarbij moet rekening gehouden worden met zowel verzachtende als verzwarende omstandigheden, zoals het bestaan van eerdere inbreuken, het feit dat de straf reeds werd uitgezeten, e.d. De verwerende partij kan, gelet op de aangehaalde parlementaire voorbereiding, niet ernstig voorhouden dat een proportionaliteitstoets niet vereist zou zijn bij toepassing van de uitsluitingsclausule ex art. 9ter juncto art. 55/4, c, van de vreemdelingenwet.
 
De Raad is van oordeel dat verzoeker gevolgd kan worden. Gelet op het feit dat verzoeker sedert 1992 in België zou verblijven, de veroordeling stamt uit 2004, dat verzoeker zijn straf volledig heeft ondergaan en dat de feiten op het ogenblik van de bestreden beslissing reeds tien jaar oud waren (twaalf jaar op datum van betekening van de beslissing), blijkt nergens uit dat de vraag werd gesteld naar het actueel karakter van de bedreiging voor de openbare orde en aldus evenmin naar de draagwijdte van de uitsluitingsbeslissing in het licht van de feitelijke context van de zaak. Er blijkt aldus geen daadwerkelijke proportionaliteitstoets te hebben plaatsgevonden.
 
De enige passage in de bestreden beslissing die erop zou kunnen wijzen dat niet louter tot een automatische toepassing van de sanctie voorzien bij artikel 55/4 van de vreemdelingenwet werd overgegaan is waar wordt gesteld "dat het private belang niet primeert boven het algemeen belang". Deze zinsnede is evenwel dermate algemeen geformuleerd dat er geen belangenafweging of proportionaliteitstoets uit kan worden afgeleid. De algemene vermelding verder dat "daarenboven niet op ernstige wijze kan ontkend worden dat verkrachting van meerderjarigen een ernstig misdrijf is met verschrikkelijke gevolgen voor het slachtoffer”, doet evenmin afbreuk aan de vaststelling dat, gelet op de ouderdom van de feiten, niet het actueel karakter van de bedreiging voor de openbare orde werd nagegaan, noch een proportionaliteittoets werd verricht. Dit klemt des te meer nu de verwerende partij het jarenlang niet nodig heeft geacht verzoeker van het grondgebied te verwijderen ingevolge de strafrechtelijke feiten die, zo blijkt, pas voor het eerst worden aangewend om de aanvraag om medische verblijfsregularisatie af te wijzen. Aldus blijkt niet dat de verwerende partij bij het nemen van haar beslissing is overgegaan tot een concrete en individuele proportionaliteitsafweging aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak. Het middel is in die mate gegrond.