Samenvatting
Uit de aanvraag blijkt dat verzoekster zich specifiek beriep op een buitengewone omstandigheid in het licht van artikel 9 bis van de Vreemdelingenwet, met name “de verregaande discriminatie/stigmatisering van HIV patiënten in Nigeria”. Aangezien ze deze omstandigheid inriep als een omstandigheid waardoor ze niet geacht kan worden terug te keren naar haar land van herkomst om aldaar een aanvraag om verblijfsmachtiging in te dienen, kan verzoekster de verwachting koesteren dat verwerende partij hiermee rekening houdt, wat niet blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing. Het gegeven dat de ingeroepen buitengewone omstandigheid een raakvlak heeft met de aanvraag om verblijfsmachtiging om medische redenen die ingediend werd op grond van de HIV-status van verzoekster – die nergens betwist wordt – houdt niet in dat het ook een zuiver medisch element wordt en laat de verwerende partij niet toe om op algemene wijze te stellen, “De hier ingeroepen medische elementen vallen buiten de context van artikel 9bis en derhalve kan in dit verzoek aan deze medische argumenten geen verder gevolg worden gegeven.” Dit komt neer op een te rigide opsplitsing tussen de artikelen 9bis en 9ter van de Vreemdelingenwet, zoals verzoekster terecht betoogt in haar verzoekschrift.
Het verweer in de nota met betrekking tot de besproken kritiek van verzoekster kan niet weerhouden worden. In haar nota met opmerkingen repliceert de verwerende partij dat verzoekster slechts terzijde heeft verwezen naar de stigmatisering, en dat ze dit voornamelijk heeft aangehaald als grond voor een machtiging tot verblijf, “met name ter ondersteuning van de voorgehouden ‘precaire humanitaire situatie’.” De verwerende partij dicht de verzoekende partij allerlei intenties toe die niet blijken uit de aanvraag. Wat wel onomstotelijk vaststaat is dat verzoekster ‘het gegeven van de verregaande discriminatie/stigmatisering van HIV patiënten in Nigeria’ heeft aangehaald onder de hoofding ‘bestaan van buitengewone omstandigheden’ in haar aanvraag om verblijfsmachtiging in toepassing van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet, waardoor er dan ook rekening mee diende te worden gehouden. Verder haalt de verwerende partij in haar nota aan dat verzoekster niet dienstig kan ontkennen dat de behandeling van HIV en de toegankelijkheid ervan in het herkomstland, deel uitmaken van een onderzoek ten gronde van een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet. Dit ontkent verzoekster ook niet in haar verzoekschrift en het doet geen afbreuk aan de vaststelling dat verwerende partij een te rigide opsplitsing maakt tussen de artikelen 9bis en 9ter van de Vreemdelingenwet door het aspect van discriminatie en stigmatisering van HIV-patiënten te klasseren onder de algemene noemer van ‘medische elementen’ die buiten het bestek van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet vallen. Voorts stelt verweerder in zijn nota dat verzoekster tijdens haar asielaanvraag al elementen heeft aangehaald inzake de sociale uitsluiting die zij vreesde omwille van haar HIV-status en stigmatisering, en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dienomtrent duidelijk heeft geoordeeld dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de vraag tot subsidiaire bescherming en een aanvraag om medische redenen, alsmede dat de beweringen inzake discriminatie en sociale uitsluiting niet konden worden aangenomen. De Raad stelt ten eerste vast dat verweerder deze overwegingen niet heeft opgenomen in de bestreden beslissing. Het zijn dan ook niet meer dan elementen die a posteriori aan de bestreden beslissing worden toegevoegd, waarmee de Raad geen rekening kan houden. Bovendien blijkt uit het in punt 1.6. bedoelde arrest dat de Raad al van oordeel was dat het niet uitgesloten is dat personen die zich geldig kunnen beroepen op de toepassing van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet ook kunnen vallen onder de toepassing van de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet. Het gegeven dat de ingeroepen stigmatisering en discriminatie op grond van HIV finaal niet werden weerhouden als grond voor erkenning van de vluchtelingenstatus of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, houdt niet in dat zij om die reden dan ook niet kunnen worden weerhouden als buitengewone omstandigheid in het licht van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet.