Raad van State - 231.479 - 9-06-2015

Samenvatting

 
Verzoeker betwist niet dat hij zich op het ogenblik van het bestreden arrest in Afghanistan bevond, het land waarvan hij de nationaliteit heeft. Hij voldeed met andere woorden niet aan de hoger genoemde voorwaarde van zich te bevinden “buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit”. Met verwijzing naar de repatriëring van verzoeker, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve op wettige wijze overwegen dat, na een eventuele vernietiging van de aanvankelijk bestreden beslissing, de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet kan vaststellen dat verzoeker kans maakt op de erkenning als vluchteling of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus.
 
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dan ook niet op onwettige wijze beslist tot een gebrek aan het vereiste belang in hoofde van verzoeker omwille van diens verblijf in zijn land van herkomst. Het enige middel is in die mate ongegrond.
 
Verzoeker betwist als dusdanig niet het motief in het bestreden arrest dat de eventuele vernietiging van de aanvankelijk bestreden beslissing geen afbreuk zou doen aan het hem voordien reeds opgelegde inreisverbod en hem niet zou toelaten “onmiddellijk” te kunnen terugkeren naar België. Verzoeker betwist evenmin de vaststelling dat verzoeker met zijn argumentatie om alsdan aan de kortgedingrechter een “doorlaatbewijs” te kunnen vragen, slechts blijk geeft van een onrechtstreeks belang. Ook wat dit motief betreft toont verzoeker geen onwettigheid aan.
 
De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft met de aanvankelijk bestreden beslissing op grond van artikel 57/6/2 van de vreemdelingenwet slechts onderzocht “of er nieuwe elementen aan de orde zijn, of door de asielzoeker zijn voorgelegd, die de kans aanzienlijk groter maken dat de asielzoeker voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt” en hij heeft bij gebrek aan dergelijke elementen beslist verzoekers asielaanvraag niet in overweging te nemen.
 
In het bestreden arrest wordt derhalve terecht vastgesteld dat de aanvankelijk bestreden beslissing slechts inhoudt dat verzoekers tweede asielaanvraag niet in overweging wordt genomen en het dus geen verwijderingsmaatregel betreft. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat die beslissing “geen gevolg heeft noch voor de verblijfsrechtelijke toestand van de verzoeker, noch voor de terugkeerverplichting en het inreisverbod, die aan de verzoeker werden opgelegd”. Er wordt uitdrukkelijk verwezen naar de afzonderlijke beslissingen dienaangaande.
 
Op die gronden kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze vaststellen dat verzoeker geen rechtstreeks belang kan putten uit een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM. Om dezelfde reden kan verzoeker zich ook thans niet dienstig op artikel 3 van het EVRM beroepen en is het enige middel in die mate niet-ontvankelijk.
 
De schending van artikel 13 van het EVRM kan niet op zichzelf worden ingeroepen, maar moet steeds samen met de schending van andere door het verdrag beschermde rechten en vrijheden worden opgeworpen. Het enige middel is ook in die mate niet-ontvankelijk vermits naast de schending van artikel 3 van het EVRM geen schending van een andere verdragsbepaling of daardoor beschermd recht wordt opgeworpen.