Samenvatting
De vaststelling in het bestreden arrest dat verzoekers kinderen “momenteel slechts gemachtigd zijn tot een tijdelijk verblijf in België, maandelijks verlengbaar, en niet tot een definitief verblijf”, volstaat op zichzelf inderdaad niet als belangenafweging aan de hand van de “fair balance”-toets. Er moet immers een belangenafweging gebeuren aan de hand van de voorhanden zijnde concrete elementen, te dezen de door verzoeker uitdrukkelijk in het verzoekschrift tot nietigverklaring voorgehouden onmogelijkheid voor zijn echtgenote en zijn vierjarig kind om het gezinsleven elders, met name in Algerije, uit te oefenen en dit om medische redenen, meer bepaald omdat zij er “geen beroep kunnen doen op de noodzakelijke medische opvolging en behandeling”. Deze belangenafweging dient ook te gebeuren wanneer er nog geen of geen verblijfsrecht meer is. Het komt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe zelf die belangen-afweging te maken doch hij kan wel vaststellen dat de Raad voor Vreemdelingen-betwistingen artikel 8 van het EVRM heeft geschonden door enkel omwille van het precaire verblijfsrecht van verzoekers echtgenote en kinderen de in het licht van die verdragsbepaling door verzoeker aangevoerde elementen niet in zijn beoordeling te betrekken. Het enige middel is in die mate gegrond en die vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest.