Samenvatting
Zoals verzoekster terecht laat gelden, impliceert het verplicht opleggen van een inreisverbod niet dat daarbij ook de maximumtermijn van drie jaar moet worden opgelegd. De duur van het inreisverbod moet overeenkomstig artikel 74/11, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet immers worden vastgesteld door rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval. In strijd met deze bepaling, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat geen specifieke motivering is vereist om de maximumtermijn op te leggen. Op die manier legt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een verplichting die op de verwerende partij rust bij de vreemdeling, die zou moeten aantonen waarom het maximum niet zou moeten worden opgelegd. Waar de aanvankelijk bestreden beslissing geen enkel onderzoek naar of afweging van de specifieke omstandigheden van het geval betreft, kon de Raad voor Vreemdelingen-betwistingen niet zonder schending van artikel 74/11, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet oordelen dat in die beslissing niet uitdrukkelijk moest worden gemotiveerd waarom de maximumtermijn voor het inreisverbod werd opgelegd.