Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 145.875 - 21-05-2015

Samenvatting

De verwerende partij kan niet worden gevolgd waar ze voorhoudt dat de termijn van 6 maanden uit artikel 42, §1, eerste lid van de vreemdelingenwet niet zou gelden in het geval van verzoeker omdat er reeds een beslissing werd genomen door de burgemeester van de Stad Antwerpen op grond van artikel 51, §1 van het vreemdelingenbesluit. Artikel 51, §2 van het vreemdelingenbesluit bepaalt dat de burgemeester of zijn gemachtigde een verklaring van inschrijving aflevert wanneer er geen enkele beslissing is genomen binnen de termijn bepaald bij artikel 42, §1, eerste lid van de vreemdelingenwet, en mits de documenten bedoeld in artikel 50, § 2 werden overgelegd binnen de termijn van drie maanden, eventueel verlengd met een maand. Ten aanzien van de termijn van zes maanden is het niet langer relevant of er voorafgaand aan het overmaken van de aanvraag aan de gemachtigde door de gemeente al dan niet conform artikel 51, §1 een beslissing houdende weigering van verblijf van meer dan drie maanden zonder bevel om het grondgebied te verlaten werd genomen. De bijkomende termijn van één maand waarover de aanvrager beschikt om de nodige documenten te voegen is aldus, mits de documenten nadien werden bijgebracht en de aanvraag door de gemeente werd overgemaakt aan de gemachtigde zoals ook de in voorliggende zaak het geval is, inbegrepen in de termijn van zes maanden zoals bepaald in artikel 42, §1, eerste lid van de vreemdelingenwet. De gemachtigde van de staatssecretaris kon ten laatste op 5 oktober 2011, i.e. zes maanden na de aanvraag. een weigeringsbeslissing nemen. Geen enkele wetsbepaling schrijft voor dat de gemachtigde van de staatssecretaris rekening dient te houden met eventuele inertie op het niveau van de stedelijke administratie. De genoemde bepalingen van de wet en het besluit zijn op dit punt duidelijk en laten geen andere beoordeling toe.
 
Uit de redactie van artikel 51, §2 van het vreemdelingenbesluit volgt dat de termijn van zes maanden een vervaltermijn is, aangezien aan het verstrijken van de bedoelde termijn het verlies van de handelingsbevoegdheid van de overheid verbonden is. In het specifieke geval dat de overheid er niet toe komt te beslissen binnen de voorziene termijn van artikel 42, §1, eerste lid van de vreemdelingenwet vloeit tevens een positief gevolg voort voor de vreemdeling, namelijk de afgifte van een verklaring van inschrijving. De Raad herinnert eraan dat aan de origine van deze bepaling het arrest van het Europese Hof van Justitie van 20 februari 1997 ligt, waarin geoordeeld werd dat de vorm en de duur van de toenmalige procedure, waarbij een termijn van zes maanden kan verstrijken vóór de afgifte van de verblijfskaart, buitensporige lasten met zich brengt, zodat zij een feitelijke belemmering van het vrije verkeer van werknemers vormen, hetgeen in strijd is met het vrij verkeer van werknemers uit het huidige artikel 45 VWEU (oude artikel 48 van het EG-Verdrag) (HvJ 20 februari 1997, Commissie t. België , nr. C-344/95).
 
De bestreden beslissing schendt artikel 51, §2 van het vreemdelingenbesluit in samenhang met artikel 42, §1, eerste lid van de vreemdelingenwet.