Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 148.253 - 22-06-2015

Samenvatting

De Raad benadrukt dat in het licht van artikel 3 van het EVRM, er in hoofde van de verwerende partij bij het uitvoeren van een gedwongen verwijdering de plicht rust om een zo nauwkeurig mogelijk onderzoek te verrichten van gegevens die wijzen op een reëel risico van een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling (cf. EHRM 15 november 1996, nr. 22414/93, Chahal v. Verenigd Koninkrijk, par. 96; EHRM 11 juli 2000, nr. 40035/98, Jabari v. Turkije, par. 39; EHRM 12 april 2005, nr. 36378/02, Shamayev e.a. v. Georgië en Rusland, par. 448).
 
In dit opzicht, leert de Raad uit het arrest Tarakhel van 4 november 2014 van het EHRM, door verwerende partij gekend en aangehaald, dat gezien de delicate en evolutieve situatie in Italië, het onderzoek in asieldossiers waar een Dublinoverdracht wordt overwogen met de grootste voorzichtigheid moet gebeuren, wat in hoofde van de verwerende partij, minstens een volledig en nauwgezet onderzoek inhoudt dat gesteund is op actuele informatie.
 
Betreffende de impact die de recente grote instroom van immigranten in Italië zal hebben op de huidige opvangstructuren, verwijst de verwerende partij naar het artikel van AIDA van 30 april 2015 “Italy increases reception place and improves treatment of subsidiairy protection beneficiaries” alsook naar UNHCR, “Italy reception centres under strain as thousands rescued at sea”, van 6 mei 2015, waaruit de verwerende partij concludeert “Uit een grondige analyse van de vermeldde rapporten blijkt weliswaar dat de Italiaanse asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in Italië voor verbetering vatbaar zijn en dat er problemen van organisatorische aard zijn maar uit de rapporten blijkt eveneens dat de Italiaanse autoriteiten zich niet onverschillig opstellen en dat maatregelen worden genomen om bepaalde tekortkomingen het hoofd te bieden.
 
Daarnaast blijkt uit meer recentere publicaties van AIDA (AIDA, “Italy increases reception places & improves treatment of subsidiary protection beneficiaries”, 30.04.2015) en het UNHCR, (UNHCR, “Italy reception centres under strain as thousands rescued at sea”, 06.05.2015) dat de Italiaanse autoriteiten naar aanleiding van de verhoogde instroom van kandidaat-vluchtelingen en economische migranten via de Middellandse Zee het aantal opvangmodaliteiten opdrijft, hetgeen door het UNHCR positief onthaald wordt. Het gegeven dat de opvangmodaliteiten waar de kandidaat-vluchtelingen en economische migranten via de Middellandse Zee toekomen, momenteel door deze grote instroom onder druk komen te staan en volzet zijn, toont echter niet aan dat de Italiaanse autoriteiten niet zouden voldoen aan hun verplichtingen zoals vervat in de opvangrichtljn 2003/9/EG van de Raad van 27.01.2003. Uit het bericht van het UNHCR van 06.05.2015 blijkt immers dat de opvangmodaliteiten waar de personen die uit de Middellandse Zee worden ondergebracht weliswaar vol zitten maar blijkt eveneens dat de Italiaanse autoriteiten deze mensen naar het vasteland transfereren waar ze in opvangmodaliteiten worden ondergebracht. Dat de opvangmodaliteiten in de regio waar de personen die uit de Middellandse Zee gered worden en in eerste instantie naar overgebracht worden tegen hun limiet aanzitten, toont echter op geen enkele wijze aan dat dit eveenns geldt voor het gehele Italiaanse vasteland. Uit het bericht van AIDA van 30.04.2015 blijkt bovendien dat niet alleen mensen die asiel vragen nadat ze uit de Middellandse Zee worden gered worden ondergebracht in opvangmodaliteiten maar dat eveneens zij die geen asiel aanvragen in eerste instantie worden opgevangen. Dat de Italiaanse autoriteiten derhalve de verplichtingen uit de opvangrichtljn 2003/9/EG van de Raad van 27.01.2003 zonder meer langs zich neerleggen en mensen aan hun lot overlaten, kan dan ook niet als gegrond beschouwd worden.”
 
Hoewel uit de door de verwerende partij onderzochte informatie blijkt dat Italië inspanningen levert, zich niet onverschillig opstelt en maatregelen neemt om de tekortkomingen het hoofd te bieden, alsook voorzien in extra opvangplaatsen, blijkt uit die informatie op het eerste zicht niet of alle beoogde maatregelen reeds in werking zijn getreden of uitvoering hebben gehad en ook niet dat er geen problemen meer zijn inzake opvangcapaciteit (op het vasteland), zoals naar voren gebracht in het AIDA-rapport. Uit de voornoemde informatie blijkt dat er oplossingen gezocht worden voor de overbezette centra waar de kandidaat-vluchtelingen en economische migranten via de Middellandse Zee toekomen waarbij de desbetreffende personen naar het vasteland worden overgeplaatst, maar blijkt prima facie niet dat de in het AIDA-rapport up-to-date tot januari 2015 vermelde problemen van gebrek aan opvang voor het geheel van asielzoekers, en voor Dublinterugkeerders in het bijzonder, niet meer bestaan.
 
Een nauwgezet onderzoek is nodig. De Raad wijst er nogmaals op dat verwerende partij slechts een partiële lezing maakt van het AIDA rapport, wat het gebrek aan een nauwkeurig, laat staan volledig, onderzoek in het geval van de verzoekende partij alleen meer onderstreept.
Daarnaast blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat de Italiaanse autoriteiten op 3 juni 2015 alsnog hebben ingestemd met de overname van de verzoekende partij en dat zij hierbij de Belgische autoriteiten verzochten om de verzoekende partij te laten aankomen op de luchthaven van Milaan en om hen in te lichten over alle specifieke elementen van gezondheid, fysiek of mentale handicap of van delicate situaties.
 
Uit voormelde informatie kan echter prima facie geen informatie over of garanties inzake opvang voor de verzoekende partij afgeleid worden.
 
Waar verwerende partij aangeeft dat de Italiaanse autoriteiten tenminste zeven dagen op voorhand in kennis worden gesteld van de overdracht, zodat aangepaste opvang kan worden voorzien, dient te worden opgemerkt dat hieruit niet blijkt dat er daadwerkelijk opvang zal zijn.
 
Zoals reeds aangegeven blijkt Italië duidelijk te kampen met een probleem van opvangcapaciteit en gezien de massale toestroom van vluchtelingen is het op het eerste zicht niet duidelijk of er wel nog voldoende opvangplaatsen gegarandeerd worden voor Dublin-terugkeerders zoals de verzoekende partij.
 
De Raad is dan ook van oordeel dat in casu er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de verzoekende partij, gelet het gebrek aan opvangcapaciteit en de enorme toestroom aan vluchtelingen, de door de Italiaanse wet voorziene opvang en bijstand zal krijgen.
 
In de zaak M.S.S. v. Griekenland en België, van 21 januari 2011, paragraaf 249 wordt door het EHRM het volgende gesteld: “The Court is of the opinion, however, that what is at issue in the instant case cannot be considered in those terms. Unlike in the above-cited Müslim case ( § § 83 and 84), the obligation to provide accommodation and decent material conditions to impoverished asylum-seekers has now entered into positive law and the Greek authorities are bound to comply with their own legislation, which transposes Community law, namely Council Directive 2003/9/EC laying down minimum standards for the reception of asylum-seekers in the member States (“the Reception Directive”; see paragraph 84 above).”
 
Dit standpunt wordt in latere rechtspraak van het EHRM bevestigd (zie arrest Tarakhel v. Zwitserland, van 4 november 2014, par. 96).
 
In deze zin moet de aangevoerde schending van artikel 3 van het EVRM dan ook worden bekeken in het licht van de positieve verplichtingen die voor Italië voortvloeien uit de Richtlijn 2003/9/EG.
 
Mede gelet op het rigoureuze en volledige onderzoek dat had moeten worden gevoerd naar het actuele risico dat de verzoekende partij heden loopt om in een situatie terecht te komen die mogelijks een schending zou uitmaken van artikel 3 van het EVRM, is de Raad van oordeel dat het gevoerde onderzoek in casu niet volstaat.