Samenvatting
In casu stelt de Raad vast, bij nazicht van het administratief dossier, dat de gemachtigde op de hoogte was van het bestaan van de minderjarige zoon van verzoeker en de zeer jonge leeftijd van het kind. Verzoeker wees hierop in zijn motivatiebrief, gevoegd bij de aanvraag vermeld in punt 1.1.
De Raad kan uit de bewoordingen van de bestreden beslissing evenwel niet opmaken of de gemachtigde daarbij - in overeenstemming met artikel 12bis, § 7 van de Vreemdelingenwet, zoals Handvest- en richtlijnconform uitgelegd, en artikel 8 EVRM - in het bijzonder aandacht heeft gehad voor het betrokken kind en zijn particuliere belangen. Er is geen aanwijzing dat de gemachtigde in zijn oordeel dat er geen buitengewone omstandigheden zijn daar slechts sprake is van een tijdelijke scheiding die het gezinsleven niet ernstig verstoort, op concrete wijze terdege de belangen van het betrokken kind, dat eveneens wordt getroffen door de bestreden beslissing, in overweging heeft genomen. Aldus blijkt niet dat de gemachtigde een beoordeling heeft gemaakt van alle in het geding zijnde belangen. Evenmin blijkt uit de stukken van het administratief dossier enige belangenafweging die aantoont dat terdege rekening werd gehouden met de belangen van het betrokken minderjarig kind. Hierbij moet worden benadrukt dat de gemachtigde weliswaar in casu over een ruime beoordelingsmarge beschikt, maar deze beoordelingsmarge impliceert eveneens een meer nauwgezette motiveringsplicht, die des te meer geldt in het licht van artikel 12bis, § 7 van de Vreemdelingenwet – bepaling die moet worden uitgelegd in het licht van de richtlijn 2003/86/EG en de rechtspraak van het Hof van Justitie – en de billijke belangenafweging vereist onder artikel 8 EVRM. De Raad kan niet zelf tot deze beoordeling of belangenafweging overgaan zonder zich in de plaats van het bestuur te stellen (cf. RvS 26 juni 2014, nr. 227.900).