Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 145.302 - 11-05-2015

Samenvatting

Artikel 40bis van de Vreemdelingenwet voorziet niet dat een kind pas een recht op verblijf kan laten gelden in functie van een grootmoeder indien tevens één van de ouders van dit kind over een verblijfsrecht in het Rijk beschikt. Voormelde bepaling voorziet ook niet dat verweerder in de plaats van de ouders van een kind kan besluiten dat het te verkiezen valt dat een kind bij zijn moeder verblijft en dat het op deze grond dit kind een recht op verblijf als familielid van een burger van de Unie kan ontzeggen.
 
Verzoekster kan dan ook worden gevolgd waar zij stelt dat verweerder een voorwaarde aan artikel 40bis van de Vreemdelingenwet toevoegt door het recht op verblijf van een minderjarig kind dat zijn grootmoeder wil vervoegen en dat reeds verscheidene maanden door deze grootmoeder wordt opgevangen afhankelijk te stellen van de legale aanwezigheid in het Rijk van één van de ouders van dit kind of van de ongestaafde bewering dat het in het belang van een kind is dat het bij een welbepaalde ouder verblijft.
 
Door te betogen dat hij het standpunt dat wordt verwoord in de beslissing om verzoeksters dochter het recht op verblijf te weigeren niet kennelijk onredelijk acht gaat verweerder voorbij aan het gegeven dat hij ertoe is gehouden om de duidelijke wettelijke bepalingen te respecteren. Er blijkt voorts niet waarop verweerder zijn stelling dat hij een correcte toepassing maakte van de bepalingen van artikel 40bis van de Vreemdelingenwet meent te kunnen baseren. Hij maakte immers gebruik van een weigeringsmotief dat niet in deze wetsbepaling kan worden teruggevonden.