Raad van State - 232.141 - 9-09-2015

Samenvatting

De verzoekende partij verwijst naar de overeenstemming van de bewoordingen van artikel 9ter van de vreemdelingenwet met het begrippenkader van het EVRM, de interpretatie ervan door het EHRM en artikel 15 van richtlijn 2004/83. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft wat betreft artikel 9ter van de vreemdelingenwet echter overwogen dat die wettelijke regeling niet kan worden beschouwd als een gunstigere norm in de zin van artikel 3 van richtlijn 2004/83 om te bepalen welke personen voor de subsidiaire bescherming in aanmerking komen, dat derdelanders die op grond van die wettelijke regeling gemachtigd worden tot verblijf dus geen personen met de subsidiaire beschermingsstatus zijn en dat de toekenning door die nationale beschermingsstatus “op discretionaire basis, uit mededogen of op humanitaire gronden” niet binnen de werkingssfeer van de voornoemde richtlijn valt. (HvJ 18 december 2014, nr. C-542/13, M’Bodj/België) Hieruit volgt dat artikel 9ter van de vreemdelingenwet uitsluitend als een regel van nationaal recht moet worden beschouwd. Overigens heeft ook het Grondwettelijk Hof inmiddels gesteld dat de werkingssfeer van richtlijn 2004/83 zich niet uitstrekt tot personen die om gezondheidsredenen zijn gemachtigd tot verblijf op het Belgische grondgebied, tenzij het gaat om het opzettelijk weigeren van medische zorg in het land van herkomst of van gewoonlijk verblijf. (GwH 21 mei 2015, nr. 59/2015)
 
De verzoekende partij is van oordeel dat de nationale wetgever zelf het voordeel van artikel 9ter van de vreemdelingenwet enkel heeft willen toekennen “aan vreemdelingen wanneer zij zodanig ‘ernstig ziek’ zijn dat hun verwijdering een schending zou uitmaken van artikel 3 EVRM”.
 
Artikel 9ter, § 1, van de vreemdelingenwet houdt duidelijk twee mogelijkheden in wat betreft de ziekte van de betrokkene: de ziekte houdt een reëel risico voor zijn leven of fysieke integriteit in, of zij houdt een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling door een gebrek aan adequate behandeling in het land van herkomst in. De duidelijke bewoordingen van deze bepaling, waarin de twee mogelijkheden naast elkaar zijn geplaatst, vergen geen nadere interpretatie en laten geenszins toe te besluiten dat de tweede mogelijkheid, zijnde een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling door een gebrek aan adequate behandeling in het land van herkomst, afhankelijk is van de eerste mogelijkheid, met name een reëel risico voor het leven of de fysieke integriteit van de betrokkene. De huidige zaak heeft specifiek betrekking op de tweede mogelijkheid.
 
De verzoekende partij verwijst naar twee Franstalige arresten van de Raad van State van 19 november 2013, waaruit zij afleidt dat ook voor wat betreft de tweede voornoemde mogelijkheid artikel 9ter van de vreemdelingenwet slechts onder dezelfde strenge voorwaarden van artikel 3 van het EVRM zou kunnen worden toegepast. Zoals de Raad van State echter in de latere Franstalige arresten nr. 228.778 van 16 oktober 2014 en 229.073 van 5 november 2014 heeft geoordeeld, moet de ziekte wel een minimum drempel van ernst bereiken om onder de in artikel 9ter van de vreemdelingenwet voorziene gevallen te ressorteren, maar blijkt noch uit de wettekst noch uit de relevante voorbereidende werken dat de wetgever heeft gewild dat de machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter slechts lijkt op een “machtiging om te sterven”. De stelling dat het toepassingsgebied van artikel 9ter samenvalt met dat van artikel 3 van het EVRM, zoals het thans door het EHRM wordt geïnterpreteerd, zou daar nochtans op neerkomen vermits het EHRM het lijden wegens “een natuurlijk voorkomende ziekte” slechts “in zeer uitzonderlijke gevallen” verbindt aan de door artikel 3 van het EVRM beschermde toestand.
 
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast dat de ambtenaar-geneesheer en de aanvankelijk bestreden beslissing “enkel een aandoening die van direct levensbedreigende aard is beschouwen als een ziekte die een reëel risico inhoudt voor het leven of de fysieke integriteit, hetgeen de verwerende partij mede afleidt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”, dat noch het advies van de ambtenaar-geneesheer noch de aanvankelijk bestreden beslissing “iets in concreto [vermeldt] aangaande de vraag of de ziekte een reëel risico inhoudt op onmenselijke en vernederende behandeling in het land van herkomst en schijnt het onderzoek hieromtrent enkel af te wegen in functie van artikel 3 EVRM” en dat volgens de bewoordingen van de aanvankelijk bestreden beslissing “er sprake moet zijn van een kritieke gezondheidstoestand of een levensverwachting die op korte termijn in het gedrang is”.
 
Uit deze vaststellingen kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dus zonder schending van artikel 9ter van de vreemdelingenwet overwegen “dat de bewoordingen van artikel 9ter van de vreemdelingenwet een ruimere bescherming bieden dan deze die zou kunnen blijken uit artikel 3 EVRM en de rechtspraak van het EHRM”, dat de ambtenaar-geneesheer zich niet mocht beperken tot het onderzoek “of de aandoeningen direct levensbedreigend zijn, in de zin dat er geen sprake is van een directe bedreiging voor het leven en de aandoeningen geen dringende maatregelen vereisen zonder welke er acuut levensgevaar zou kunnen zijn, zonder verder onderzoek naar de mogelijkheden van een behandeling in het land van herkomst” en dat de aanvankelijk bestreden beslissing, die op deducties van de ambtenaar-geneesheer steunt, moet worden nietigverklaard. Het vormt dan ook geen schending van de aangehaalde bepaling door in het bestreden arrest nog te overwegen dat “evenmin […] uit artikel 9ter, § 1 van de vreemdelingenwet [kan] afgeleid worden dat enkel ziekten die een kritieke gezondheidstoestand teweegbrengen of die vergevorderd zijn kunnen leiden tot een machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9ter van de vreemdelingenwet”. Het eerste middel faalt naar recht en is ongegrond.