Samenvatting
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat de verwerende partij, thans de verzoekende partij, “niet [betwist] dat de [aanvankelijk] bestreden beslissing geen bepaling bevat uit de vreemdelingenwet die eraan te grondslag ligt”, dat “uit de bijlage 19ter […] niet [blijkt] dat de onnodige vermelding, zijnde de rechtsgrond 40bis of 40ter van de vreemdelingenwet, werd doorgehaald” en dat “bovendien […] artikel 40bis van de vreemdelingenwet geen voorwaarde [bevat] ‘om het bestaan van een duurzame en stabiele relatie’ van ten minste 2 jaar met haar partner aan te tonen” en dat hieruit volgt “dat in de [aanvankelijk] bestreden beslissing niet de rechtsgrond wordt aangegeven die eraan ten grondslag ligt”. Met het betoog dat de aanvankelijk bestreden beslissing voortdurend over “vereiste voorwaarden” of “hierboven vermelde criteria” handelt, dat nergens wordt verwezen naar een wetsartikel waarin deze “voorwaarden” voorkomen en dat zij dus niet kan begrijpen waarop de aanvankelijk bestreden beslissing is gebaseerd en op geen enkele manier kan nagaan naar welk artikel in de vreemdelingenwet wordt verwezen, maakt huidige verweerster volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aannemelijk dat de aanvankelijk bestreden beslissing in de aangegeven mate een schending inhoudt van de formelemotiveringsplicht.
Met zijn beoordeling dat uit de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing niet met zekerheid kan worden afgeleid welke wettelijke bepalingen juist werden toegepast, temeer daar in die beslissing “het bestaan van een duurzame en stabiele relatie van ten minste twee jaar” wordt vermeld en artikel 40bis van de vreemdelingenwet die voorwaarde niet bevat, zodat hij de formelemotiveringsplicht geschonden acht, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf de inhoud van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ niet geschonden. Als administratieve cassatierechter vermag de Raad van State niet in de plaats van de annulatierechter te onderzoeken of de juridische grondslag al dan niet afdoende uit de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing blijkt. Het enige middel is in die mate ongegrond.