Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 150.535 - 7-08-2015

Samenvatting

De Raad ontwaart in het administratief dossier geen informatie met betrekking tot de specifieke situatie van journalisten in Gaza. Nochtans kan in casu redelijkerwijze verwacht worden dat verweerder de nodige inspanningen levert en de nodige zorgvuldigheid aan de dag legt teneinde na te  gaan in welke mate verzoekers werk als journalist/persfotograaf hem al dan niet tot een specifiek doelwit maakt.
 
De Raad stelt dienaangaande vooreerst vast dat verzoeker in zijn verzoekschrift, onder verwijzing naar informatie (p. 9-11), terecht besluit dat uit “objectieve bronnen (blijkt) dat journalisten doelwit zijn zowel van Hamas als van de Israëlische autoriteiten (…)” en “Hamas en Israël (…) er immers geen
voorstaander van (zijn) dat hun wanpraktijken naar buiten gebracht worden”. Uit de geciteerde informatie blijkt dat (Palestijnse) journalisten en fotojournalisten in Gaza en de Westelijke Jordaanoever niet alleen worden gearresteerd, belaagd en bedreigd door Israël en Hamas/Palestijnse autoriteiten, maar dat er ook daadwerkelijk wordt op gevuurd en gemikt door Israëlische soldaten. De Raad is dan ook van oordeel dat verzoeker als persfotograaf een specifiek risicoprofiel heeft.
 
In de mate verwerende partij stelt dat de link met verzoekers beroep van belang is omdat men in deze context niet kan stellen dat hij zich gedwongen zag door redenen buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil de Gazastrook te verlaten en zij tot deze conclusie komt na de bespreking van (enkele) incidenten waarvan verzoeker het slachtoffer werd, kan zij de Raad niet overtuigen.
 
De Raad is van oordeel dat verzoeker de Gazastrook verliet niet omwille van zijn beroep of beroepsrisico, maar omwille van de wanpraktijken gepleegd door de Israëlische autoriteiten en Hamas
waarvan (onder andere) journalisten het slachtoffer worden wanneer zij deze daden willen documenteren. Het zijn wel de wanpraktijken die buiten verzoekers invloed staan en die uitgevoerd
worden door derden onafhankelijk van verzoekers wil. Dat verzoeker zich omwille van dit werk op een risicovolle plaats bevond, waar vaak en snel het vuur wordt geopend vanuit de Israëlische linies (bijlage 1 bij de nota met opmerkingen), doet weinig ter zake. Het gaat immers niet om het enige incident waarvan verzoeker persoonlijk slachtoffer was, en dat door verwerende partij niet wordt betwist.
 
Verzoeker wijst er ten deze dan ook terecht op dat bij de beoordeling van een asielaanvraag het geheel van de ingeroepen problemen in ogenschouw dient te worden genomen. In casu blijkt immers duidelijk dat het geheel van de ingeroepen incidenten die hun oorzaak vinden in de wanpraktijken van Israël en Hamas verzoeker ertoe heeft aangezet om in België internationale bescherming te vragen (zie ook gehoorverslag CGVS, p. 10: “Ten tweede maakte ik zoveel incidenten mee en zag ik zoveel”).
 
Dat verzoeker persoonlijk werd/wordt geviseerd blijkt bovendien uit zijn onbetwiste verklaringen dat hij in het kader van zijn werk een prijs in ontvangst mocht nemen in het Europees Parlement, waarvoor hij een visum had om via Jordanië naar Brussel te reizen. Enkele dagen voor het geplande vertrek werd de toelating geweigerd om van Gaza naar Jordanië te reizen en werd hij bedreigd indien hij wel zou gaan (gehoorverslag CGVS, p. 10). Hieruit blijkt duidelijk dat verzoeker als journalist/persfotograaf niet alleen een risicoprofiel heeft maar wel degelijk persoonlijk werd/wordt geviseerd.
 
Dat verzoeker geviseerd werd/wordt omwille van zijn werk als journalist en dat hij er zelf voor gekozen heeft om journalist te worden, doet hieraan geen afbreuk. Verweerder kan niet redelijkerwijze verwachten dat verzoeker afziet van het informeren van de publieke opinie over wandaden en schendingen van de mensenrechten die zich stellen in zijn land van herkomst en waarvan sinds jaren talloze burgers het slachtoffer worden, zoals blijkt uit de informatie toegevoegd aan het administratief dossier en de informatie geciteerd in het verzoekschrift, teneinde aan de bedreigingen te ontkomen.
 
Dat de bedreigingen niet werden uitgevoerd, doet geen afbreuk aan de mate van onveiligheid van de situatie waarin verzoeker zich bevond, gelet op de veelheid aan bedreigingen en de verschillende hoeken vanwaar ze kwamen.
 
De Raad stelt weliswaar vast dat verwerende partij de persoonlijke situatie heeft onderzocht, maar de vaststellingen dat verzoeker gestudeerd heeft, de familie een huis heeft dat maar licht beschadigd is geweest tijdens de laatste oorlog met Israël, zijn vader een pensioen heeft enz., doen geen afbreuk aan het besluit van de Raad dat in deze blijkt dat verzoeker persoonlijk wordt geviseerd.
 
Het feit dat verzoeker bewust zijn paspoort verscheurde, wat het onderzoek van zijn zaak bemoeilijkt, doet geen afbreuk aan de mate van onveiligheid van de situatie waarin verzoeker zich bevindt/bevond.