Raad van State - 232.625 - 20-10-2015

Samenvatting

In het bestreden arrest wordt overwogen dat huidige verweerder op 12 november 2012 een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet heeft ingediend die op 5 maart 2013 ontvankelijk is verklaard, dat huidige verweerder in het bezit van een immatriculatieattest is gesteld en dat, vermits huidige verweerder op 5 maart 2013 in het bezit is gesteld van een tijdelijke machtiging tot verblijf, het bevel om het grondgebied te verlaten minstens impliciet als ingetrokken moet worden beschouwd, waarna wordt besloten dat huidige verweerder niet meer getuigt van het rechtens vereiste actueel belang bij het aanvechten van het bestreden bevel. Hierna acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het aangewezen “voor de duidelijkheid in het rechtsverkeer en dus voor de rechtszekerheid, het bestreden bevel uit het rechtsverkeer te verwijderen via een vernietiging, ongeacht of deze destijds rechtsgeldig getroffen werd of niet”.
 
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft deze motieven ambtshalve opgeworpen. Noch uit het arrest, noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat deze redenering het voorwerp van het debat heeft uitgemaakt of dat de huidige verzoekende partij de kans werd gegeven over die motieven standpunt in te nemen. Dit gebrek aan tegenspraak houdt een schending van het recht van verdediging in hoofde van de huidige verzoekende partij in.