Samenvatting
Uit de bestreden beslissing blijkt dat voor de toepassing van de termijn van twee jaar enkel in rekening wordt gebracht dat de verzoekende partij sinds de betekening van het bevel op 19 augustus 2013 nog geen stappen heeft genomen om het grondgebied vrijwillig te verlaten en zich al gedurende een jaar in illegaal verblijf nestelt. Noch uit de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier kan de Raad afleiden dat voor het bepalen van de duur van het inreisverbod met de specifieke omstandigheden, zijnde met “alle omstandigheden eigen aan de zaak”, zoals het door de verzoekende partij in haar verzoekschrift aangevoerde privéleven en het vijfjarig verblijf, elementen die aangehaald werden in het kader van haar aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet, door verwerende partij is rekening gehouden.
Nochtans zit de verplichting om een dergelijk onderzoek te voeren vervat in artikel 74/11, §1, eerste lid van de vreemdelingenwet.
Ten overvloede wenst de Raad er op te wijzen dat het gegeven dat de verwerende partij de door de verzoekende partij in haar verzoekschrift aangehaalde elementen reeds beoordeelde in de beslissing betreffende de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van het voornoemde artikel 9bis, de verwerende partij niet vrijstelt van de verplichting om rekening te houden met “alle omstandigheden eigen aan de zaak” bij het bepalen van de duur van het inreisverbod. Immers heeft de beslissing tot het opleggen van een inreisverbod van twee jaar verderstrekkende gevolgen dan een beslissing waarbij de verzoekende partij een machtiging tot verblijf geweigerd werd. Bovendien stelt de Raad vast dat de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard door de verwerende partij bij gebrek aan buitengewone omstandigheden. De Raad wijst er dan ook op dat een beoordeling van elementen in het licht van de vraag of deze elementen verhinderen dat men een aanvraag om machtiging tot verblijf indient in het land van herkomst niet kan gelijkgeschakeld worden met een beoordeling van elementen in het licht van het bepalen van de duur van een inreisverbod, waarbij het de vreemdeling verboden wordt voor die bepaalde duur het Belgisch grondgebied te betreden.
Van enig individueel onderzoek waarbij voor het bepalen van de duur van het inreisverbod rekening gehouden wordt met “alle omstandigheden eigen aan het geval” ter zake is geen spoor.
Nu niet blijkt of bij het bepalen van de duur van het inreisverbod rekening werd gehouden met alle omstandigheden eigen aan het geval, kan ook niet nagegaan worden of de opgelegde duur van het inreisverbod redelijk is, zodat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen ook niet dienstig kan aanvoeren dat door de verzoekende partij geen concrete grieven worden aangehaald om aan te tonen dat de duur van het opgelegde inreisverbod werkelijk onredelijk zou zijn.