Samenvatting
Artikel 74/11, §1, tweede lid, 2° van de vreemdelingenwet bepaalt dat in het geval een vroegere beslissing tot verwijdering niet werd uitgevoerd, een inreisverbod wordt opgelegd van maximum drie jaar. Dit artikel houdt echter niet de verplichting in om in alle gevallen de maximumduur van drie jaren op te leggen. In tegendeel bepaalt artikel 74/11, §1 van de vreemdelingenwet dat de duur van het op te leggen inreisverbod wordt bepaald door rekening te houden met de specifieke omstandigheden van elk geval en blijkt ook reeds uit de bewoordingen “maximum drie jaar” van artikel 74/11, §1, tweede lid van de vreemdelingenwet, dat de duur van het inreisverbod kan gemoduleerd worden in die zin dat het ook minder dan drie jaar kan bedragen. Het bepaalde in artikel 74/11, §1, eerste lid van de vreemdelingenwet houdt derhalve in dat de gemachtigde zijn keuze voor een inreisverbod met de maximale geldingstermijn van drie jaar, uitdrukkelijk dient te verantwoorden en dat hij hierbij de specifieke omstandigheden van het geval in rekening moet nemen (cf. RvS 26 juni 2014, nr. 126.318).
De beslissingen over de aanvraag tot machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet en de oplegging van een inreisverbod hebben eigen juridische en feitelijke gronden, en zij hebben ook duidelijk een eigen en onderscheiden finaliteit. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat de gemachtigde, louter omdat hij in het verleden reeds deze of gene machtigingsaanvraag onontvankelijk heeft verklaard, niet meer zou gehouden zijn om de specifieke omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen teneinde te bepalen wat de geldingsduur zal zijn van het op te leggen inreisverbod.