Samenvatting
De Senegalese verzoeker in deze zaak diende in België een eerste asielaanvraag in, waarvan de weigering werd bevestigd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 12 november 2013.
In januari 2014 diende hij een tweede asielaanvraag in, maar het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) weigerde om deze in overweging te nemen.
Vervolgens besliste het OCMW om de sociale bijstand die verzoeker genoot, in te trekken op grond dat ze, aangezien het een tweede asielaanvraag betrof, hiervoor niet langer bevoegd was. Kort daarna werd aan verzoeker een bevel om het grondgebied te verlaten betekend.
Verzoeker tekende bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beroep aan tegen de niet-inoverwegingneming van zijn tweede asielaanvraag. Daarnaast tekende hij ook beroep aan bij het tribunal du travail de Liège, de verwijzende rechter, tegen de beslissing van het OCMW om zijn sociale bijstand in te trekken.
De verwijzende rechter stelt vast dat, overeenkomstig de op het geschil toepasselijke Belgische regeling, verzoekers niet de mogelijkheid hebben om tegen een beslissing tot niet-inoverwegingneming van een tweede asielaanvraag een beroep met volle omvang en schorsende werking in te stellen. Hij vraagt het Hof of dergelijke regeling in overeenstemming is met artikel 39 van richtlijn 2005/85[1], gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest.
Het OCMW, Fedasil, de Belgische regering en de Europese Commissie voeren voor het Hof aan dat de prejudiciële vraag niet-ontvankelijk is, aangezien sinds de inwerkingtreding van de wet van 10 april 2014, wel degelijk een beroep met schorsende werking mogelijk is tegen de beslissing van niet-inoverwegingneming van een tweede asielaanvraag.
Het Hof van Justitie stelt evenwel dat het uitsluitend aan de verwijzende rechter staat om de relevantie te beoordelen van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof in beginsel verplicht daarop te antwoorden. De prejudiciële vraag is dan ook ontvankelijk.
Het Hof merkt om te beginnen op dat de tweede asielaanvraag van verzoeker moet worden beschouwd als een “volgend verzoek” in de zin van artikel 32 van richtlijn 2005/85 en dat de weigering van het CGVS om dat verzoek in overweging te nemen een “beslissing om het hernieuwde verzoek niet opnieuw te behandelen” uitmaakt in de zin van artikel 39, lid 1, onder c), van die richtlijn.
Artikel 39 van die richtlijn bepaalt aan welke voorwaarden de beroepen moeten voldoen tegen een beslissing om het hernieuwde verzoek niet opnieuw te behandelen. Artikel 24 van die richtlijn bepaalt dat de lidstaten kunnen voorzien in specifieke procedures waarbij wordt afgeweken van de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II van die richtlijn.
In dit verband benadrukt het Hof dat de bij richtlijn 2005/85 vastgestelde procedures minimumnormen zijn. De lidstaten beschikken dan ook in verschillende opzichten over een beoordelingsmarge voor de uitvoering van die bepalingen en kunnen hierbij rekening houden met de bijzonderheden van het nationale recht.
Het Hof merkt op dat, overeenkomstig overweging 15 van richtlijn 2005/85, indien een asielzoeker een volgend verzoek indient zonder nieuwe bewijzen of argumenten voor te leggen, het onevenredig zou zijn de lidstaten te verplichten een volledige nieuwe onderzoeksprocedure te volgen. In dat geval moeten de lidstaten kunnen kiezen uit procedures die uitzonderingen bevatten op de waarborgen waarop de asielzoeker gewoonlijk recht heeft.
Zo kan volgens artikel 32, lid 2, onder b), van richtlijn 2005/85 een beslissing om het hernieuwde verzoek niet opnieuw te behandelen, worden genomen na afloop van een voorafgaand onderzoek om uit te maken of er na de beslissing inzake het vorige verzoek, nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of door de asielzoeker zijn voorgelegd.
Indien het hernieuwde verzoek na dat voorafgaand onderzoek niet verder wordt behandeld, kunnen de lidstaten overeenkomstig artikel 7, lid 2, van die richtlijn een uitzondering maken op de regel dat asielzoekers in de lidstaat mogen blijven, louter ten behoeve van de procedure.
Bijgevolg kunnen de lidstaten a fortiori bepalen dat een beroep tegen een beslissing tot niet-inoverwegingneming van een volgend asielverzoek, zoals het beroep dat in het hoofdgeding aan de orde is, geen schorsende werking heeft.
Vervolgens benadrukt het Hof dat de bepalingen van richtlijn 2005/85 moeten worden uitgelegd met eerbiediging van de grondrechten en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in het Handvest. De kenmerken van het in artikel 39 van die richtlijn bedoelde beroep moeten dus worden bepaald in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest, dat een herbevestiging vormt van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming. Voorts bepaalt artikel 19, lid 2, van het Handvest dat niemand mag worden verwijderd naar een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan onmenselijke of vernederende behandelingen wordt onderworpen.
Het Hof merkt evenwel op dat de huidige zaak enkel de rechtmatigheid betreft van een beslissing om het hernieuwde asielverzoek niet opnieuw te behandelen. Dat een beroep tegen een dergelijke beslissing geen schorsende werking heeft, is volgens het Hof, in beginsel in overeenstemming met de artikelen 19, lid 2, en 47 van het Handvest. Hoewel een dergelijke beslissing belet dat een derdelander internationale bescherming verkrijgt, kan de uitvoering ervan op zich namelijk niet leiden tot de verwijdering van die derdelander.
Weliswaar preciseert het Hof dat, indien in het kader van de behandeling van een asielaanvraag die voorafging aan of volgt op een beslissing om het hernieuwde asielverzoek niet opnieuw te behandelen, een terugkeerbesluit zou worden vastgesteld, de derdelander tegen dat besluit een doeltreffend rechtsmiddel moet kunnen aanwenden overeenkomstig artikel 13 van die richtlijn.
[1] Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB L 326, blz. 13).