Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 156.987 - 25-11-2015

Samenvatting

Met betrekking tot de subsidiaire beschermingsstatus dient vastgesteld dat verzoeker verklaarde dat hem in Italië deze status werd toegekend (gehoorverslag CGVS 27 april 2015, p.13). Verzoeker ontkent dit geenszins in onderhavig verzoekschrift.
 
Zowel in de bestreden beslissing als in zijn nota met opmerkingen wijst verweerder er terecht op dat Italië een lidstaat is van de Europese Unie die, net als alle andere lidstaten, gebonden is door het Gemeenschapsrecht en de verplichtingen die daaruit voortvloeien. Verweerder wijst in zijn nota met opmerkingen bovendien terecht op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-411/10 en C-492/10 van 21 december 2010, waarin wordt geoordeeld dat het gemeenschappelijk Europees asielstelsel is uitgedacht in een context waarin kan worden aangenomen dat alle staten die aan dit stelsel deelnemen, de grondrechten eerbiedigen, waaronder begrepen de rechten gebaseerd op het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het EVRM, en dat er in dat opzicht wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten van de Europese Unie kan bestaan. Bijgevolg moet worden aangenomen dat de lidstaten van de Europese Unie het beginsel van non-refoulement en de verdragsverplichtingen voortvloeiende uit het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het EVRM nakomen en dat de behandeling van asielzoekers in elke lidstaat, dus ook in Italië, in overeenstemming is met deze verdragen.
 
Verweerder kan dan ook terecht vermoeden dat verzoeker geen belang kan doen gelden om zijn nood aan subsidiaire bescherming ten aanzien van Afghanistan nogmaals te laten onderzoeken, tenzij zou blijken dat de door Italië verleende bescherming heeft opgehouden te bestaan, dat deze bescherming ontoereikend zou zijn of dat verzoeker ten aanzien van Italië een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 zou koesteren of er een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet zou lopen. In casu voert verzoeker, onder
verwijzing naar het M.S.S.-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), aan dat hij ingeval van terugkeer naar Italië zal worden blootgesteld aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling en dat hij zich niet langer op de hem toegekende subsidiaire bescherming in Italië kan beroepen omdat hij er niet kan werken, er geen opvang of financiële ondersteuning kan krijgen en er niet op straat wil leven (gehoorverslag CGVS 27 april 2015, p. 13-14).
 
Waar verzoeker verwijst naar het arrest M.S.S. t. België en Griekenland van het EHRM van 21 januari 2011, dient erop gewezen dat verzoeker niet aantoont dat hij zich in een gelijkaardige situatie bevindt, zoals deze waarvan sprake in dit arrest. Verweerder wijst er in zijn nota met opmerkingen terecht op  at het EHRM in het arrest Mohammed Hussein t. Nederland van 2 april 2013 uitdrukkelijk heeft gesteld dat de situatie in Italië niet dezelfde is als in Griekenland en niet gelijkgesteld kan worden met een systematisch falen in het bieden van bijstand en opvang aan een kwetsbare groep. Tevens verwijst verweerder terecht naar de het arrest Tarakhel t. Zwitserland van het EHRM van 4 november 2014, waaruit blijkt dat de structuur en de algemene situatie van de opvangvoorzieningen in Italië op zichzelf geen hindernis vormen voor het verwijderen van asielzoekers naar het Italiaanse grondgebied, alsook dat, hoewel de beschikbare informatie ernstige twijfels doet rijzen over de capaciteit van het Italiaanse opvangsysteem en niet kan uitgesloten worden dat asielzoekers geen opvang kunnen krijgen, dit gegeven op zich geen schending uitmaakt van artikel 3 van het EVRM; daartoe dient de slechte behandeling een “minimum level of severity” te bereiken, waarvan de beoordeling afhankelijk is van alle omstandigheden van de zaak.
 
Daarnaast wijst verweerder er terecht op dat de situatie van verzoeker, die de subsidiaire beschermingsstatus geniet, grondig verschilt met de situatie van een asielzoeker. Als persoon die de subsidiaire beschermingsstatus heeft verkregen, geniet verzoeker binnen de Europese Unie van een bijzondere bescherming tegen refoulement. Alsook zijn, overeenkomstig het Europees gemeenschapsrecht, aan zijn subsidiaire beschermingsstatus een verblijfsrecht en verschillende rechten en voordelen verbonden inzake de toegang tot werkgelegenheid, sociale zekerheid, gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting en integratievoorzieningen. Het feit dat er zich verschillen kunnen voordoen in de algemene economische omstandigheden tussen de verschillende EU-lidstaten doet hieraan geen afbreuk. Net zoals niet iedere EU-onderdaan op gelijke wijze toegang heeft tot huisvesting, werk en andere sociale voorzieningen, geldt dit eveneens voor vreemdelingen die de subsidiaire beschermingsstatus verkregen hebben binnen de Europese Unie. De vaststelling dat er tussen de EUlidstaten verschillen bestaan in de mate waarin aan personen die de subsidiaire bescherming genieten rechten worden toegekend en zij deze kunnen doen gelden, houdt in hoofde van verzoeker geen vervolging in overeenkomstig artikel 48/3 van de vreemdelingenwet, noch een reëel risico op ernstige schade overeenkomstig artikel 48/4 van dezelfde wet. Verzoeker heeft de subsidiaire beschermingsstatus verkregen in Italië, dat als EU-lidstaat gebonden is aan het EU-acquis dat voorziet in (minimum)normen inzake rechten en voordelen die verbonden zijn aan zijn status en waarvan verzoeker gebruik kan maken.
 
In onderhavig verzoekschrift voert verzoeker aan (i) dat hij nooit toegang heeft gekregen tot taallessen of een professionele opleiding, en evenmin informatie kreeg over mogelijke integratieprogramma’s die voor hem beschikbaar waren, (ii) dat hij geen begeleiding kreeg bij het vinden van een nieuwe woning en op straat werd gezet, (iii) dat de werkloosheid in Italië hoog is, waardoor hij nog moeilijker aan een job kan geraken, en (iv) dat hij geen toegang heeft tot de sociale voorzieningen aangezien hij geen officiële woonplaats meer heeft. Er dient vastgesteld dat deze redenen niet kunnen aantonen dat verzoeker ingeval van terugkeer naar Italië een behandeling zal ondergaan die het “minimum level of severity” bereikt die nodig is om te kunnen spreken van een schending van artikel 3 van het EVRM.
 
Vooreerst dient erop gewezen dat uit verzoekers verklaringen in onderhavig verzoekschrift blijkt dat hij wel degelijk (tijdelijk) opvang kreeg vanwege de Italiaanse autoriteiten. Verzoeker toont verder geenszins aan dat hij enige inspanning heeft geleverd om zelf te voorzien in zijn huisvesting na het verlopen van deze opvang, noch dat de Italiaanse overheden hem hebben verhinderd in huisvesting te voorzien. Het niet kunnen volgen van taallessen en cursussen vormt geenszins een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM. Dat de hoge werkloosheid in Italië het hem moeilijk maakt een job te vinden, is evenmin een onmenselijke behandeling, aangezien deze werkloosheid de  ganse Italiaanse bevolking treft en verzoeker opnieuw nalaat in concreto aan te tonen dat hij persoonlijk grotere moeilijkheden heeft bij het vinden van een job dan andere inwoners van Italië. Hierbij kan tevens worden opgemerkt dat de foto’s die verzoeker bijbrengt (verzoekschrift, stuk 4a) geenszins een ander licht kunnen werpen op de voorgaande vaststellingen. Vooreerst kan, gelet op de manipuleerbaarheid van foto’s, niet worden afgeleid waar of wanneer deze foto’s werden gemaakt. Bovendien wordt er enkel op afgebeeld dat verzoeker zich buiten bevindt, doch hieruit kan niet worden afgeleid dat verzoeker in Italië dakloos zou zijn geweest of dat hij omwille van handelingen of nalatigheden van de Italiaanse autoriteiten dakloos zou zijn geweest. Verder blijkt uit het door verweerder aan zijn nota met opmerkingen toegevoegde rapport “Migrant access to social secuirty and healthcare in Italy: policies and practices” van EMN van februari 2014 (bijlage 4) dat verzoeker in Italië toegang heeft tot medische zorg en blijkt uit het OSAR-rapport dat verzoeker bijbrengt (verzoekschrift, stuk 6) dat de problemen binnen de Italiaanse sociale zekerheid alle inwoners van Italië treffen en niet louter verzoeker of personen die er internationale bescherming krijgen. Uit de overige aan de nota met opmerkingen toegevoegde rapporten (bijlagen 1-3) blijkt voorts dat er in Italië inderdaad problemen zijn omwille van de grote toestroom aan vluchtelingen – onder meer op het vlak van de opvang – doch eveneens dat de Italiaanse autoriteiten, onder het goedkeurend oog van UNHCR, wel degelijk trachten het hoofd te bieden aan deze moeilijke omstandigheden. Alleszins blijkt uit deze recente rapporten niet dat de situatie in Italië actueel dermate is dat er voor verzoeker of voor personen die er een vorm van internationale bescherming genieten sprake is van een situatie van onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM. Het OSAR-rapport bij onderhavig verzoekschrift (stuk 6) is heden reeds gedateerd en houdt dan ook geen rekening met de recente ontwikkelingen.